l els van dinteren – dichter en verhalenverteller
Close

SCHUBERT  Piano Sonate D. 960 Andante

bij het afscheid van R.

 

de eerste klank komt zonder aarzeling

uit de hemel vallen als de zachte emotie

die me rustig ingetogen laat bewegen

bewogen zit je naast me en fluistert

nee  dit niet  het is te veel

 

jaren later bij dezelfde eerste toon

het gevoel van klein geluk dat kleeft

aan herinnering die niet is vergaan

in alle snelle gewoel

van plaats en tijd

 

 

© els van dinteren

uit: dubbelportret / Doppelporträt
edition Staublau No. 11
herausgegeben von Uta Fleischmann, verlegt bei Isensee Oldenburg

Tehuis voor Wachtenden

Ongeveer vijfenvijftig jaar schat ik haar: gekleed in een bont gebloemde legging met daaronder grote sportschoenen en daarboven een korte roze rok en een bruine vale blouse;  haar grijze haar kort geknipt en een gezicht met ingevallen wangen en grote blauwe ogen. Zonder aarzeling loopt ze op me af; ze wekt de indruk dat ze mij een prangende vraag gaat stellen.

’Loopt u ook zo graag over het perron, ik vind het fijn de komende en gaande mensen te zien, vooral de komende mensen bij de treinen, ik wacht op mijn zuster, ze zit in de trein, maar ik hoorde net omroepen dat die niet komt, er is weer iets mis tussen Zwolle en Assen: een dier zeggen ze maar het kan voor het zelfde geld natuurlijk een mens zijn, dat vertellen ze je niet, je moet er toch niet aan denken hoe dat eruit ziet helemaal platgereden om van de spetters maar niet te spreken of zo’n arm dier zo zielig….mijn hond is ook doodgereden ik heb hem begraven, hij was wel oud maar hoefde van mij nog lang niet dood, ik hoop maar dat m’n zus alleen is zonder die vent die mag ik niet en hij mij trouwens ook niet hoor…. maar ze zal wel alleen zijn ze heeft er niets over gezegd.’

We liepen samen een stukje op en neer op het rustige perron. ‘Het waait hier altijd en je mag hier ook niet roken alleen bij die paal; belachelijk wie heeft er godverdomme nou last van die rook, mijn zuster rookt ook maar die vent van haar niet die heeft een hekel aan roken en vindt dat het stinkt; hij heeft overal een hekel aan: aan roken aan afwassen aan boodschappen doen en koken kan hij ook niet ik vraag me af wat ze met die vent wil en wat ie wèl kan nou ja daar kan je je wel wat bij voorstellen hè, maar dat wil mijn zuster dan weer niet zo blijft het toch ’n gedoe met zo’n vent.’

Gelukkig kwam mijn trein binnenrijden en moest ik afscheid van haar nemen. Voor ik instapte keek ik of haar zuster met of zonder die vent uitstapte, maar er was niemand die op haar afliep. Misschien kwamen ze een trein later of had die vent besloten dat ze niet zouden gaan.

Vanuit mijn coupé zag ik dat ze een sjekkie aanstak en rustig het perron verliet. Ze liep naar de overkant, daar woont ze waarschijnlijk in het tehuis voor wachtenden.

 

 

© els van dinteren

Pinksterongeloof

in de reeks van RK-feesten had Pinksteren een derde plaats

eerst kwam Kerst: de nachtmis met drie verklede heren

onophoudelijk werd er gezongen gewierookt geloofd

met na afloop het nachtelijk ontbijt

daarna gingen we een dagje slapen

 

in het voorjaar Pasen: de Goede Week met bizarre biecht

nieuwe kleren het nachtelijk vuur heilig ontstoken

-over geloven werd niet gesproken-

je geloofde wat je hoorde je geloofde wat je leerde

voor kritische vragen was er geen tijd

gedachten kregen ruimte die je zelf creëerde

veertien was ik en al heel vroegwijs

 

Pinksteren was ander feest: bijna zomer kleurig vol groen

Visite, een vreemde taal: het feest van de Heilige Geest

met in de allergrootste pan de duiven van broer

door vader geplukt door moeder gestoofd en van botten ontdaan

dit leugenachtig pinkster-duivenmaal door haar

liefkozend ‘fazantensoep’ genoemd

 

© els van dinteren

leeftijd

ik was op weg, met spoed had ik het huis verlaten

dacht mezelf kruipend een pad te banen

langs onbekende sporen was ik onderweg

 

van de vroege morgen of late middag

-over nachten wordt hier maar gezwegen-

het traag dagelijks wachten hoe een reis verloopt

verward, vluchtig, vaak van klare taal beroofd

om ergens aan te komen was

vooralsnog geen enkele sprake

 

men hulde mij in nevelmist

 

de traagheid is verstreken

de misthoorn is verruild voor helder zicht

zo creëert lethargie een nieuwe tijd

 

getallen achter me gelaten om totaal verreisd

maar rechtop en zonder schaamte

aan te komen in reële tijd

mijn werkelijke jaren

 

 

© els van dinteren

‘Is het gepermitteerd…

dat ik mijn bord aflik’, vroeg hij zeer geaffecteerd. De gastheer keek er niet van op, gaf onmiddellijk toestemming en nam zelf ook zijn bord ter hand. De beide mannen likten voorzichtig met een serieus gezicht hun bord schoon, plaatsten het terug op tafel, pakten het servet en depten hun mond. De omstanders -vrienden en vriendinnen- hadden ook heerlijk gegeten, ze lachten niet en vertrokken geen spier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Hij, de ‘vrager’ was gast en op bezoek vanuit Canada. De oorlogsjaren had hij in het Jappenkamp doorgebracht, samen met zijn ouders. Op 14-jarige leeftijd was hij alleen naar Nederland gekomen om zijn school af te maken en bleef vervolgens in Nederland om te studeren. Tijdelijk woonde hij in een pleeggezin in Friesland, samen met andere kinderen met eenzelfde achtergrond. Hij had iets ‘overgehouden’ aan het kamp: het had te maken met eten. Aan de ontbijttafel werden geregeld alle broodkruimels bijeengeschraapt. Die stopte hij vervolgens in zijn zak. Soms liep hij er mee naar buiten; hij had altijd een klein plastic zakje bij zich voor ‘onderweg een hapje’. Ik had dat nog niet eerder gezien, maar zijn vrouw vertelde dat het erger was geworden, naarmate hij ouder werd.
Deze avond waren we met vrienden om gezamenlijk een Marokkaanse Pastilla te eten: een hartige taart met gedroogde vruchten, noten, groente en Marokkaanse kruiden, afgedekt met filodeeg en ruim gepoederd met suiker. Gemaakt door de andere oudere man. Ook hij had de oorlog meegemaakt, maar als jonge jongen in Amsterdam. Hij kon smakelijk vertellen over wat er in de vuilnisbakken te vinden was. Beide mannen wisten wat honger was en hadden dezelfde ‘afwijking’: nooit iets eetbaars weggooien! Een doodzonde! Als het eten heel lekker is mag je je bord aflikken!

Ze bleven de jongens die zij vroeger al waren.

De volgende dag logeerden we in het boshuis, waar een grote voederplek voor vogels en reeën is. Daar worden regelmatig broodresten neergelegd. Soms komt de eekhoorn, maar over het algemeen zijn het de vogels die weten waar ze eten moeten halen. Nu liep onze gast naar buiten en keek peinzend naar wat er op de voedertafel lag. Hij aarzelde niet en begon rustig te eten. Vanuit de kamer zagen we het gebeuren; hij was de concurrent van de vogels geworden: hij nam het ervan. Een deel van het voer stak hij weer in zijn zak, keek naar binnen en vroeg: ‘Wanneer gaan we fietsen?’ Het duurde niet lang, of al fietsend at hij zijn plastic zakje leeg. ‘Lekker hoor, die vogels worden bij jou maar verwend‘, sprak hij deftig met volle mond. Hij lachte satanisch en zette de grote versnelling op. Hij ging er vandoor en bij het eerstvolgende restaurant bestelde hij uitgebreid koffie met gebak: ‘Voor de broodnodige afwisseling.

Lusten jullie ook wat?’

 

© els van dinteren

ALLARDSOOG                     

voor H.N.WERKMAN

 

we lopen het zandpad op

rechts de kale akker iets verder links

de steen met namen

 

een oude man met bloem vertelt hoe het was

die voorjaarsavond terwijl de vogels zongen

en de vijand schier verslagen

 

de tuin in milde geur

van appelbloesem en sering –weet hij nog

het grijze lood dat door de kleuren sneed

 

tien keer heeft hij geteld

verraden    afgevoerd    gedood

 

we lopen terug

achter ons herinnering

de man de steen de namen

 

© els van dinteren

Kastanje

In het parkje voor mijn huis stond een grote oude kastanjeboom. Ik besloot ooit -tijdelijk- achter deze boom te gaan wonen. Jaren geleden, tijdens de kastanje-ziekte vond de gemeente dat de boom weg moest. Er zou een nieuw exemplaar worden geplaatst. Er was wel e.e.a. aan vooraf gegaan. De boom had een verhaal. Een buurtbewoner vertelde ooit, dat hij als heel klein jongetje de boom samen met zijn vader had gepland. Hij was inmiddels 76 jaar en de boom moest er volgens hem wel zo’n 73 jaar staan. Waar ik nu woon was vroeger zijn achtertuin met de fietsenwerkplaats van zijn vader. Midden in de stad. Hij vroeg of hij de boom en de omgeving van bovenaf mocht bekijken. We namen samen de trappen en kwamen na 45 treden uit op mijn dakterras. De boom stond in volle bloei en had nog nooit zoveel kaarsen gehad als dat jaar. Hij mijmerde wat en vertelde over zijn vader, die zo van bomen hield. Hij zelf bleek meer van vrouwen te houden. Snel weer de trappen af!

Mijn statige kastanjeboom had al jaren voor ‘redelijk veel overlast’ gezorgd. In de herfst viel er veel blad en dan waren er ook nog die lastige kinderen, die kastanjes kwamen zoeken. Er zijn mensen die niet van herfst houden en daar heel chagrijnig van worden. Voor een van de bewoners was het zoveel overlast, dat hij rondbazuinde: ‘Ik pis iedere avond tegen die rot boom, dan begeeft hij het vanzelf.’ Ik riep nog dat het een ZIJ was, maar dat maakte hem niet uit.

Op een onverwacht moment werd er langs de buitentrap een metalen leuning geplaatst. Het bleek dat de buurman een been zou moeten missen en zonder hulp van de leuning de trap niet meer kon nemen. Ik maakte me grote zorgen en vroeg me af hoe het dan met het dagelijks pissen zou gaan.
Op een been valt te leven, maar na enige tijd kreeg hij last van zijn andere been.

Hij stierf beenloos.

De kastanje stond er nog enkele maanden; daarna was het ook met de boom gedaan. In de herfst werd er afscheid genomen. De statige kastanje veranderde in een enorme berg stookhout.
Het deed pijn!

Nadat de grond gereinigd was werd er een mooie jonge kastanjeboom geplaatst. Inmiddels reikt deze ook tot ver boven het dakterras en draagt -zoals haar voorgangster- in het voorjaar honderden kaarsen. Ik geniet van heerlijk lichtgroen gefilterd licht in mijn woonkamer.

Een handje oude kastanjes plantte ik op drie verschillende plaatsen in mijn bostuin. Ze doen het goed en geven een aangename herinnering aan de statige oude boom, waaruit ze voortgekomen zijn.

Gisteren zag ik -na jaren wachten- de eerste knop van een kaars verschijnen.

Er is altijd weer hoop!

 

© els van dinteren

‘Wandelen heeft ons lichter gemaakt’

Al jarenlang verbaas ik me over de vertellende wandelaars, die ik hoor en voorbij zie gaan op het bospad. Ze praten vaak zeer luid. Dat komt waarschijnlijk omdat het verder heel stil is. Het bos ‘draagt’, zoals ook water sterk resoneert.

Ik hoor flarden van verhalen: vaak hilarisch, soms mededeelzaam, maar meestal vertrouwd en intiem van toon. De column van Erdal Balci in de Volkskrant (9/3/21) geeft uitkomst.

(…) “Niet zo lang geleden wandelde ik met een dierbare vriendin in Amsterdam. Haar lichaam moet ook na bijna een jaar na de coronabesmetting vechten om weer helemaal de oude te worden. We zouden het dus kort houden. Maar twee uur later praatten we nog steeds, de kleine wolkjes van haar adem als blije getuigen van haar openhartigheid over haar persoon. Ik besefte dat we, na al die jaren dat we elkaar kennen, bij onze allereerste wandeling echte vrienden zijn geworden.

Ik begreep die middag dat mensen die lang genoeg hebben gelopen, niet anders kunnen dan hun ziel blootleggen. Tijdens zo’n wandeling is de wens de verzwegen geschiedenis uit te spreken sterker dan alles wat hem wil verhullen. Je metgezel is het waard het mee te delen. Alleen met de persoon die het waard is om je vriend te zijn, been je lange uren mee.

Niet zelden heb ik me afgevraagd hoe het kon dat personen die honderden jaren geleden hebben geleefd en niet eens de kennis over lichaam en de natuur hadden van een doorsneebasisschoolleerling van nu zulke grote meesterwerken hebben kunnen schrijven. Ik wandelde veel in de pandemiemaanden, ik vergezelde vrienden tijdens hun wandelingen en weet nu het antwoord op die vraag: ze deden hun hele leven lang waar wij sinds de pandemie enigszins mee zijn begonnen.

Onder de wandelaars van voorheen waren Cervantes, Beethoven, Dante en alle andere grote van geest. Wandelen is een expeditie naar de diepste krochten van het innerlijk. Laat je vergezellen door iemand anders dan is wandelen tevens een zoektocht naar de ziel van de metgezel. Je loopt dan als het ware richting een eerlijk verhaal, dicht bij de kern van de persoon die je bent. Op een hele andere manier dan met de gekkigheid waarvoor onze generaties zo enthousiast zijn gemaakt.

Wandelen is de tegenhanger van de commercie. Het heeft geen boodschap aan de duizend clichés van het ontdek-jezelf proza. Wandelen is de natuur, het heeft geen vooropgezet plan. Het reikt je geen vaste formules aan. Het is je eigen reis, je eigen avontuur.

We gaan dus straks een ander land krijgen, omdat er zo veel mensen dankzij het virus weer hebben leren wandelen. Want, zolang de wandeling niet wordt gedaan vanuit het banale oogpunt van conditieopbouw of afvallen, dan zorgt die niet alleen voor het ontstaan van hechte vriendschappen, maar is ze ook een daad van bevrijding. We zijn getraind om het geluid van onze ketenen niet te horen en geloof me, bij iedere nieuwe lange wandeling klinkt het metaal harder en harder, om ons te herinneren wie de nieuwe slaaf is en wie de eigenaar.

De auto, het vliegtuig en de trein hebben niet alleen de afstand kleiner gemaakt, ze hebben ook een streep gehaald door de tijd dat we oog in oog stonden met onszelf. De nieuwe mens heeft niet de tijd om de beste vragen te formuleren en die vragen aan zichzelf of aan de medewandelaars te stellen. In een paar eeuwen zijn we veranderd in een soort die liefde en genegenheid wil, maar nooit kan stilstaan bij de vraag of we ons als mens hebben ontwikkeld tot een persoon die het waard is om geliefd te zijn.

Maar dankzij het virus lopen we weer. Bij mooi en minder weer. En het kan niet anders of al dat wandelen heeft ons ‘lichter’ gemaakt dan voorheen. Een wandelaar komt namelijk tot het besef dat we op aarde zijn om schoonheid te creëren en dat elke andere ambitie te zwaar weegt.

Het virus kwam en iedereen wandelt nu door de fraaie straten en prachtige parken van Nederland. De kleur van de polder is een andere.”

Geen droom

Geen droom

In het vleeswaren-vak bij AH zag ik een pakje rundertong liggen. Onmiddellijk dacht ik aan mijn moeder, die zo van orgaanvlees hield. Deze voorliefde heeft ze aan mij doorgegeven: lever, tong, hartjes, niertjes. Vaak eet ik het alleen: de meeste mensen houden er niet van. Ze roepen: ‘niertjes, de geur alleen al!’ Ik nam een broodje en belegde het ruimvoldoende: orgaanvlees blijft kort fris, dus niet te zuinig.

De dag verliep aangenaam: ik verzamelde eikenblad in de bostuin om de narcissen wat meer lucht te geven. In de middag telde ik het aantal kruiwagens, die ik in de wal had gekiept. Tien. Het werk is aangenaam maar vermoeiend. Vroeg in de avond ging ik liggen en keek naar een Franse film op Arte: In therapie. Vijf korte stukken van 40 minuten, waarin een psychotherapeut -samen met zijn patiënt(-en) optreedt. In de eerste sessie zien we een jonge zelfbewuste vrouw met onduidelijke problemen, ook onduidelijk voor de therapeut: zij ondervroeg hém in plaats van andersom. Hij luisterde, keek vriendelijk maar onaangedaan. Na een kwartier constateerde hij, dat ze in haar gedrag niet veranderd was gezien de eerdere sessies. Zij was er dus al vaker geweest. Onverwacht stond ze op en bij de deur wilde zij hem kussen, maar ze bleef hangen op een afstand van vijf centimeter, omdat hij geen toenadering zocht. Hij leek versteend.

In het volgende deel zien we een vechtend echtpaar; jong en met een progressieve uitstraling. Ze namen plaats op de bank met een redelijke afstand van elkaar. Ze keken, ja, waar keken ze naar? Ze keken in de toekomst die totaal onduidelijk was. De therapeut moest onverwacht even de kamer verlaten om voor zijn zieke zoon te zorgen die op de bank in de huiskamer lag. Het duurde even, hij liet een en ander uit zijn handen vallen en vloog snel terug naar zijn behandelkamer. Het echtpaar in ontbinding was boos en vroeg of hij die ontbrekende 10 minuten van de prijs af kon trekken. Hij bleef stoïcijns, vervolgde het gesprek, gaf vriendelijke antwoorden en zei dat hij ook niet wist hoe sommige zaken in een huwelijk opgelost konden worden. Zij gingen onverrichter zaken weg en maakten een afspraak voor een volgende sessie.

Het zieke kind zeurde om zijn moeder, die voor enkele dagen in het buitenland verbleef voor haar werk. Inmiddels was de bel gegaan voor de volgende klant: een man van midden dertig die de therapeut meer zag als gesprekspartner. Dat kan en mag natuurlijk ook. De minuten verliepen redelijk rustig en aangenaam.

Er volgde nog een deel met een hele jonge vrouw: zij was het leven meer dan zat. In dit gesprek moest de therapeut weer even zijn kamer verlaten: genoeg tijd voor de suïcidale vrouw om in een doosje te kijken dat op tafel stond. Pillen, heel veel diverse soorten pillen. Zij sloot het doosje, maar niet helemaal. Toen hij weer in de kamer terugkwam viel het hem op dat zij in zijn doosje had gekeken.

In de laatste 40 minuten zag ik de therapeut buiten voor een deur staan: hij droeg een lange regenjas en een linnen tasje met daarin wat boodschappen, waaronder een prei. Een mooie goedgeklede vrouw deed open. Ze begroetten elkaar vriendelijk, zoals Fransen dat doen, met een dubbele kus. Voor hij plaatsnam in de stoel vroeg hij haar een pakje in de koelkast te leggen. Nieuwsgierig vroeg ze: ‘Wat zit er in dat pakje’. ‘Een rundertong, die moet koel blijven’, sprak hij zachtjes.

Daarna nam zij hem onder de loep en vroeg hoe het met hem ging sinds de laatste keer. Wat er goed- en misging in zijn sessies. Hij vertelde over de slordigheid met zijn pillendoos: zijn cliënte had er gebruik van kunnen maken met alle gevolgen van dien. En over de jonge vrouw Amalie, die hem wilde kussen. Zijn verliefdheid speelde hem – na alle sessies met haar – nog steeds parten; hij wilde dolgraag met haar naar bed. Zijn therapeute wees hem zeer streng op zijn verantwoordelijkheid en zijn professionele belofte als therapeut. Hij keek wat voor zich uit en wilde weg. Ze vroeg waarom hij zweeg.

Plotseling gaf hij haar het oude recept van rundertong op z’n Italiaans. Een ingewikkeld recept van zachtjes koken, het vel van de tong afstropen, de zachte tong inleggen in zoetzuur met diverse geurige verse kruiden, daarna in dunne plakjes snijden en licht verwarmen in een saus van room en knoflook met een druppeltje worcestersaus.

Het recept van mijn moeder…

 

© els van dinteren

geknot leven

 

 

genoodzaakt terug te reizen kwam

de tijd in hoog tempo los

vlak landschap in luchtige lente

oevers met zacht walsend riet

geknotte wilgen als stille getuigen

 

scheve boosheid als gebalde vuisten

in strenge slagorde langs rustige wegen

takken slordig vergaard gestapeld

afgesneden van de ouderlijke stam

 

om later eigenzinnig tot bloei te komen

in ontelbare zilverdonzige katjes

en vluchtig dansende pollen

onder koele heldere voorjaarszon

 

©  els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!