l els van dinteren – dichter en verhalenverteller
Close

Teder gedicht

Regelmatig krijg ik per mail of per ouderwetse post vrijkaarten voor een tentoonstelling of kunstbeurs. Niet altijd maak ik er gebruik van, maar soms moet ik mijn huis even verlaten in ruil voor schoonheid of verwondering. Zo ook in de maand september. De KunstRai in Amsterdam. Niet het meest aantrekkelijke gebouw in ons land. Maar ga je door de deur, dan vergeet je de desolate aanblik van een paar minuten eerder.

Rustig lopen met de plattegrond in de hand, die ik overigens nooit gebruik, maar die je bij binnenkomst aangereikt krijgt. Bekende en onbekende galeriehouders met aantrekkelijke kunst of kleurpanelen en objecten, die je liever snel voorbijloopt. Ik meldde me bij de Galerie die mij sinds jaar en dag vrijkaarten stuurt. In ruil leverde ik mijn gedichtenbundel die net uitgekomen was.

Bij de volgende galerie trof ik een bekend beeld, een meisjes torso van Eja Siepman van den Berg, zonder twijfel. Ik sprak de man in de stand aan over dit beeld. Hij bleek zelf ook kunstenaar te zijn en toonde mij na enig aarzelen zijn kunst. Bijzondere koperwerken en schilderijen met voor mij niet direct begrijpelijke kunst. Ik vroeg hem zijn werk te duiden: dat deed hij met passie en zachte stem. Ik sprak hier met een Irakese man, die enige jaren terug via verschillende landen inclusief gevangenissen uiteindelijk in Nieuwegein zijn nieuwe thuis had gevonden. ‘Ja Nieuwegein, heel mooi en rustig!’ Na uitleg van zijn werk vroeg hij naar mijn werk. Na jarenlang PR achter mijn naam te zetten, kies ik nu voor dichter en verhalenverteller. Hij was nieuwsgierig: daar hou ik van. Zonder nieuwsgierigheid geen voortgang!

Het gesprek duurde al een aantal minuten toen er koffie voor mijn gesprekspartner neergezet werd. Een dame kwam even later vertellen dat zijn koffie koud werd. Het deerde hem in het geheel niet. ‘Ja, koude koffie, ook lekker’ was zijn rustige reactie. We spraken over kunst, culturen, werken en genieten, over onderwijs, literatuur, Irakese gevangenissen en dichters. Hij was docent geweest aan de kunstacademie in Bagdad en had de stad door omstandigheden moeten verlaten.

Bij ons afscheid beloofde ik hem een gedichtenbundel te sturen.

Vorige week ontving ik een envelop met een prachtig kunstwerkje. Het was een getekende kopie van een van zijn grotere kunstwerken, die hij mij uitgelegd had. De kleine friemeltjes/tekeningen verwezen naar de aanwijzingen die zijn moeder gaf aan haar kinderen. Zij was analfabeet en communiceerde door middel van kleine tekeningen. Dat werden prachtige kleurige herinneringen in zijn bijzondere werk. Nu voor mij, in het klein met een teder gedicht!

© els van dinteren

 

Qassim

Sehen…

hoorde ik hem meerdere keren zeggen. “Sehen müssen wir, das ist wichtig. Nicht nur nach uns selbst, auch nach unserer Umgebung.”

Geboeid tot de laatste minuut zag ik weer de documentaire (NDR) ooit opgenomen in Museum Boijmans van Beuningen, met als enige persoon Oskar Kokoschka. Hij nam plaats in zijn stoel, vergezeld van een glas whisky. De voice-over begint met een korte CV: een aantal jaartallen en plaatsen. Hij nam het woord en vond deze informatie niet van belang. Het gaat niet om cijfers. Hij begint en vertelt uitgebreid over zijn jeugd en de boeken die hij van zijn vader kreeg. Allereerst een boek over Homerus, (het belang van de Griekse cultuur) dat hij later aanhaalt in zijn verhaal als hij over ‘zijn’ plaats in de kunstgeschiedenis vertelt en het tweede boek van Comenius, Via Lucis, dat een cruciale rol in zijn leven speelde. Het boek met de mooie plaatjes en daaronder het schrift ter aanvulling. Kokoschka is een aangename verteller, maar hij is ook een bekwaam docent, tekenaar en schilder. In zijn verhaal dat een uur duurt, komt hij tevoorschijn als een rebel en humanist. In zijn latere jeugd die hij doorbrengt in Wenen ontmoet hij bekende kunstenaars: schrijvers, dichters, architecten, waaronder Adolf Loos, die zichzelf geen architect noemt, maar metselaar. Wel geestig om dit verhaal te horen: Loos was een van de grote vernieuwers in de Weense architectuur en heeft veel over zich afgeroepen, niet alleen in die tijd, maar nog steeds. Kokoschka sloot zich aan bij de vernieuwers van de Wiener Werkstaette, en het was Loos die uiteindelijk de niet verkochte tekeningen en schilderijen van Kokoschka aankocht. Hij was zijn mecenas. Zo hielp hij hem aan geld, maar werd gelijker tijd een van de grootste verzamelaars van zijn werk. In Wenen waren natuurlijk voor- en tegenstanders: vernieuwing in de kunst was niet gewenst. Als jonge arme kunstenaar maakt hij twee boekjes, gedichten die werden voorzien van kleurige prenten. Hij tekent en schildert in aquatinten; teder en kwetsbaar en door de bevolking als ‘verwerpelijk’ ontvangen.

Hij leert Alma Mahler kennen en zoals vele mannen in het mondaine Wenen werd hij verliefd op haar. Ze waren vijf jaar samen, zij verliet hem voor Gropius (Bauhaus). Hij vertelt op een bijzondere wijze over de eerste wereldoorlog, werd soldaat, meldde zich vrijwillig aan, en kwam zwaargewond terug.  Hier volgt een uitvoerige beschrijving van hoe de mens ontaardt door het geweld. Het beeld van ‘de mens’ komt steeds weer naar voren; de mens, het bewustzijn en het handelen. Hij vraagt zich meerdere keren af: “Wer bin ich”, en kijkt dan verlegen in de camera, neemt een slokje en gaat verder zonder ons los te laten. In zijn schilderijen beeldt hij de immense natuur uit, maar altijd vanuit het perspectief van de mens. Op een van zijn schilderijen uit een latere periode, schildert Kokoschka zijn vriend Masaryck, president van Tsjecho-Slowakije. Naast hem staat Comenius, de pedagoog, filosoof, Tsjech, met het beroemde boek dat in het leven van Kokoschka zo’n belangrijke rol speelde, in de hand. Kokoschka was ‘een volgeling’ van Comenius en heeft veel aandacht voor het doceren aan kinderen. Dit thema komt meerdere keren terug in de documentaire. De meester, docent, tekenaar, schilder, dichter. Der Mensch Kokoschka.

Een aangename bijkomstigheid: Kokoschka spreekt Duits, met Weense tong, de taal die ik versta en mij het gevoel geeft dicht bij hem te staan. De beelden die ik heb ‘meegekregen’ bij mijn bezoeken. Een vorm van thuiskomen: herkenning, emotie, rijkdom!

 

© els van dinteren

SPIEGEL IN SPIEGEL

Beeld: Gouache, Molnár Sándor, z.t. (collectie evd)

we zijn wie we altijd al waren
oud geworden kinderen
al zolang geen vijftien meer
maar keer de vingers op één hand

bewegend levend in herinnering
bladdert het huis heel langzaam af
binnen brandt het stilstaand vuur
verwarmt zoekend de gedachten

woorden in vage trage bochten
namen worden aarzelend genoemd
geliefden die het brein verlaten
maar de rugzak altijd vol verlangen.

Uit: dubbelportret / Doppelporträt
Oldenburg, 2021

 

© els van dinteren

De arm

 

 

 

 

 

 

 

voor R.

Omdat ik er niet bij was, maar het wel zag.

 

Je stem ben ik niet vergeten, de woorden die we spraken zullen niet in de tijd vergaan.

Je proza en poëzie heb ik gelezen. De herinnering aan je stem komt onmiddellijk terug.

Ik zag je met opgestoken arm: het is de balansarm in je voordracht, je presentatie.

Ook tijdens het verhaal over Gilgamesj. Het is je beeld geworden.

 

De arm die je in evenwicht houdt, een eigen leven leidt. De rest is stabiel en rustig.

Hij reikt naar de zaal -naar je toehoorders- en raakt me bijna.

Wil je daarmee afstand bepalen, of iets aangeven, misschien iets vragen?

Soms het een, dan weer het ander?

 

De woorden zie ik via de arm naar je hand glijden, daar verspreiden ze zich

in opwaartse kracht naar je vingers -als in een delta- en zweven de ruimte in.

Ik kan ze vangen en tot me nemen als het water van de Eufraat -of was het de Tigris-

het water uit oude verhalen, ver weg, waar eens het paradijs was.

Je brengt het verhaal als de meester-verteller van zeer oude waarden.

 

Soms is de hand naar boven gedraaid en deels open om hem te vullen

met zoete dadels, rijpe vijgen en een enkele pittige olijf. (‘Als je daar tenminste aan toe bent’).

Ze horen bij het oude landschap dat je met passie beschrijft.

Van bitter en zuur is geen sprake.

Je laat ons lopen over oeroude grond, ruiken aan brakke wateren en ademen in azuurblauwe lucht.

Je spreekt met vuur over liefde en jaloezie, genegenheid en vriendschap.

 

Wees voorzichtig met die arm! Hij begeleidt en stuurt je en geeft je goede richting.

Natuurlijk moet ik ook aan de kreeft denken, die zijn poot had beschadigd maar

daar in het water weinig of geen last van had.

 

Ik zag je in volle overgave -zonder schroom of terughoudendheid- vertellen en bewegen:

 

zo mooi.

 

 

© els van dinteren

Zondagmorgen

Het was een regenachtige nacht met veel wind en onrust. Het had geen zin lang te blijven liggen en te wachten op verbetering. De boekenkast brengt altijd uitkomst. Ondanks wind en wolken ging het raam wijd open en het ordenen kon beginnen. De plank met geleende kunstboeken en poëzie was aan de beurt. Ik zocht een paar tasjes en verpakte de terugbrengexemplaren zorgvuldig.

Het grote kunstboek nam ik nog even door: even duurde inmiddels al meer dan een half uur. Trek in een dubbele espresso met croissant. Hier werden mijn regelmatige wandelingen verpakt in zachtgroene landschappen: de Drentse Aa in breekbare verstilde schoonheid. Berend Groen, kunstenaar uit Zeijen.

Na ontbijt met muziek pakte ik de fiets en bracht het boek terug naar de rechtmatige eigenaren; een fietsafstand van tien minuten. De wind was gewillig. Gelijktijdig met de kennis dat het op de terugweg anders zou zijn. De eigenaren waren niet thuis; ik zette het boek in een kinderzitje in de schuur/fietsenopslag en inspecteerde de tuin, rook aan de weelderige verse kruiden en werd daarbij gehinderd door een wat aanstellerige poes met drie poten, die zich wentelde in aandacht en nog meer poezengedoe. Ik riep nog even: ‘Doe even gewoon poes, zo is het wel genoeg.’

De fietstocht terug verliep voorspoedig, er werd iets harder getrapt. Zo kwam ik aan bij het stoplicht kruising Rolderstraat/Fabriciusstraat en wachtte voor het stoplicht. Eindelijk ging het op groen, ik stapte op en reed diagonaal richting Doevenkamp. Midden op het kruispunt fietste ik achteloos langs een boek dat daar lag. Een paar meter verderop realiseerde ik me, dat de auto’s het boek zouden verpletteren; dus afstappen, keren met de fiets aan de hand en terug naar het middelpunt/kruispunt. Natuurlijk houden stoplichten daar geen rekening mee, dus alles begon te rijden en daar stond ik. Met het boek in de hand riep ik zwaaiend naar de auto die mij rustig naderde: ’RED HET BOEK!’ en vervolgde mijn tocht naar huis. Daar zag ik pas de titel van het boekje, dat ik had gered van de walsende autobanden. Rinkel de Kinkel, van Martine Bijl. Een boek dat ik nooit gekocht had, maar na deze reddingsactie zal ik het lezen met in mijn achterhoofd de chaos die had kunnen ontstaan door de verkeersveiligheid met een flinke korrel zout te nemen om een boek te redden. Rinkel de kinkel, gelukkig (nog) niet voor mij.

 

© els van dinteren

 

De vleugelnootboom spreekt

Loop naar mijn kurkstam, onder mijn takken.

Ik sta hier alleen, al zou ik met soortgenoten

een indrukkwekkende laan kunnen maken.

Zie mijn hoogte, trots reik ik

naar de daken van het Rijksmuseum.

 

Loop naar rechts.

Hoewel ik hier wortel, kom ik van ver:

Armenië of de Kaukasus.

Hollandse winters deren mij niet:

Sneeuw op mijn takken.

In de zomers een dicht bladerdak.

Tussen twee vleugels mijn vrucht.

 

Keer om en loop naar links.

Ik wijs je de weg. Je ziet

de wandelpaden van mijn labyrint.

Loop van mij weg. Mis je me al?

Straks loop je weer naar mij toe

en zie je de veelarmigheid van mijn kroon.

Kijk naar de andere kant, lage beplanting.

 

In mijn schaduw groeit niet erg veel,

maar de buxushaagjes doen het goed.

Ga nu kwiek naar binnen en verbaas je

over wat onze ogen verstouwen kunnen

en wat handen kunnen maken:

de glans van koper, druiven, satijn, een edensteen.

Let op de schaduw van de hand,

de handschoen en de kip van de marketenster.

 

 

Remco Ekkers 1941 – 2021

Virtueel

vertrouwd, teder, zachtaardig

beantwoordt hij mijn vragen

zonder verbazing, terughoudend

voorzichtig met zijn poëzie

 

kleedt hij mij in zijden Georgette

wikkelt mijn verlangen in een jas

van zacht soepele Kasjmier

hier is alleen het mooiste goed

 

geen moeite om mij mee te delen

dat het goed is wat ik doe

ik ben zijn open boek

hij prijst mij… prijst mij…

 

zonder hem te zien

te horen te voelen

 

ik lees hem

ik schrijf hem

 

 

juni 2021

© els van dinteren

SCHUBERT  Piano Sonate D. 960 Andante

bij het afscheid van R.

 

de eerste klank komt zonder aarzeling

uit de hemel vallen als de zachte emotie

die me rustig ingetogen laat bewegen

bewogen zit je naast me en fluistert

nee  dit niet  het is te veel

 

jaren later bij dezelfde eerste toon

het gevoel van klein geluk dat kleeft

aan herinnering die niet is vergaan

in alle snelle gewoel

van plaats en tijd

 

 

© els van dinteren

uit: dubbelportret / Doppelporträt
edition Staublau No. 11
herausgegeben von Uta Fleischmann, verlegt bei Isensee Oldenburg

Tehuis voor Wachtenden

Ongeveer vijfenvijftig jaar schat ik haar: gekleed in een bont gebloemde legging met daaronder grote sportschoenen en daarboven een korte roze rok en een bruine vale blouse;  haar grijze haar kort geknipt en een gezicht met ingevallen wangen en grote blauwe ogen. Zonder aarzeling loopt ze op me af; ze wekt de indruk dat ze mij een prangende vraag gaat stellen.

’Loopt u ook zo graag over het perron, ik vind het fijn de komende en gaande mensen te zien, vooral de komende mensen bij de treinen, ik wacht op mijn zuster, ze zit in de trein, maar ik hoorde net omroepen dat die niet komt, er is weer iets mis tussen Zwolle en Assen: een dier zeggen ze maar het kan voor het zelfde geld natuurlijk een mens zijn, dat vertellen ze je niet, je moet er toch niet aan denken hoe dat eruit ziet helemaal platgereden om van de spetters maar niet te spreken of zo’n arm dier zo zielig….mijn hond is ook doodgereden ik heb hem begraven, hij was wel oud maar hoefde van mij nog lang niet dood, ik hoop maar dat m’n zus alleen is zonder die vent die mag ik niet en hij mij trouwens ook niet hoor…. maar ze zal wel alleen zijn ze heeft er niets over gezegd.’

We liepen samen een stukje op en neer op het rustige perron. ‘Het waait hier altijd en je mag hier ook niet roken alleen bij die paal; belachelijk wie heeft er godverdomme nou last van die rook, mijn zuster rookt ook maar die vent van haar niet die heeft een hekel aan roken en vindt dat het stinkt; hij heeft overal een hekel aan: aan roken aan afwassen aan boodschappen doen en koken kan hij ook niet ik vraag me af wat ze met die vent wil en wat ie wèl kan nou ja daar kan je je wel wat bij voorstellen hè, maar dat wil mijn zuster dan weer niet zo blijft het toch ’n gedoe met zo’n vent.’

Gelukkig kwam mijn trein binnenrijden en moest ik afscheid van haar nemen. Voor ik instapte keek ik of haar zuster met of zonder die vent uitstapte, maar er was niemand die op haar afliep. Misschien kwamen ze een trein later of had die vent besloten dat ze niet zouden gaan.

Vanuit mijn coupé zag ik dat ze een sjekkie aanstak en rustig het perron verliet. Ze liep naar de overkant, daar woont ze waarschijnlijk in het tehuis voor wachtenden.

 

 

© els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!