l els van dinteren – dichter en verhalenverteller
Close

SPIEGEL IN SPIEGEL

Beeld: Gouache, Molnár Sándor, z.t. (collectie evd)

we zijn wie we altijd al waren
oud geworden kinderen
al zolang geen vijftien meer
maar keer de vingers op één hand

bewegend levend in herinnering
bladdert het huis heel langzaam af
binnen brandt het stilstaand vuur
verwarmt zoekend de gedachten

woorden in vage trage bochten
namen worden aarzelend genoemd
geliefden die het brein verlaten
maar de rugzak altijd vol verlangen.

Uit: dubbelportret / Doppelporträt
Oldenburg, 2021

 

© els van dinteren

De arm

 

 

 

 

 

 

 

voor R.

Omdat ik er niet bij was, maar het wel zag.

 

Je stem ben ik niet vergeten, de woorden die we spraken zullen niet in de tijd vergaan.

Je proza en poëzie heb ik gelezen. De herinnering aan je stem komt onmiddellijk terug.

Ik zag je met opgestoken arm: het is de balansarm in je voordracht, je presentatie.

Ook tijdens het verhaal over Gilgamesj. Het is je beeld geworden.

 

De arm die je in evenwicht houdt, een eigen leven leidt. De rest is stabiel en rustig.

Hij reikt naar de zaal -naar je toehoorders- en raakt me bijna.

Wil je daarmee afstand bepalen, of iets aangeven, misschien iets vragen?

Soms het een, dan weer het ander?

 

De woorden zie ik via de arm naar je hand glijden, daar verspreiden ze zich

in opwaartse kracht naar je vingers -als in een delta- en zweven de ruimte in.

Ik kan ze vangen en tot me nemen als het water van de Eufraat -of was het de Tigris-

het water uit oude verhalen, ver weg, waar eens het paradijs was.

Je brengt het verhaal als de meester-verteller van zeer oude waarden.

 

Soms is de hand naar boven gedraaid en deels open om hem te vullen

met zoete dadels, rijpe vijgen en een enkele pittige olijf. (‘Als je daar tenminste aan toe bent’).

Ze horen bij het oude landschap dat je met passie beschrijft.

Van bitter en zuur is geen sprake.

Je laat ons lopen over oeroude grond, ruiken aan brakke wateren en ademen in azuurblauwe lucht.

Je spreekt met vuur over liefde en jaloezie, genegenheid en vriendschap.

 

Wees voorzichtig met die arm! Hij begeleidt en stuurt je en geeft je goede richting.

Natuurlijk moet ik ook aan de kreeft denken, die zijn poot had beschadigd maar

daar in het water weinig of geen last van had.

 

Ik zag je in volle overgave -zonder schroom of terughoudendheid- vertellen en bewegen:

 

zo mooi.

 

 

© els van dinteren

Zondagmorgen

Het was een regenachtige nacht met veel wind en onrust. Het had geen zin lang te blijven liggen en te wachten op verbetering. De boekenkast brengt altijd uitkomst. Ondanks wind en wolken ging het raam wijd open en het ordenen kon beginnen. De plank met geleende kunstboeken en poëzie was aan de beurt. Ik zocht een paar tasjes en verpakte de terugbrengexemplaren zorgvuldig.

Het grote kunstboek nam ik nog even door: even duurde inmiddels al meer dan een half uur. Trek in een dubbele espresso met croissant. Hier werden mijn regelmatige wandelingen verpakt in zachtgroene landschappen: de Drentse Aa in breekbare verstilde schoonheid. Berend Groen, kunstenaar uit Zeijen.

Na ontbijt met muziek pakte ik de fiets en bracht het boek terug naar de rechtmatige eigenaren; een fietsafstand van tien minuten. De wind was gewillig. Gelijktijdig met de kennis dat het op de terugweg anders zou zijn. De eigenaren waren niet thuis; ik zette het boek in een kinderzitje in de schuur/fietsenopslag en inspecteerde de tuin, rook aan de weelderige verse kruiden en werd daarbij gehinderd door een wat aanstellerige poes met drie poten, die zich wentelde in aandacht en nog meer poezengedoe. Ik riep nog even: ‘Doe even gewoon poes, zo is het wel genoeg.’

De fietstocht terug verliep voorspoedig, er werd iets harder getrapt. Zo kwam ik aan bij het stoplicht kruising Rolderstraat/Fabriciusstraat en wachtte voor het stoplicht. Eindelijk ging het op groen, ik stapte op en reed diagonaal richting Doevenkamp. Midden op het kruispunt fietste ik achteloos langs een boek dat daar lag. Een paar meter verderop realiseerde ik me, dat de auto’s het boek zouden verpletteren; dus afstappen, keren met de fiets aan de hand en terug naar het middelpunt/kruispunt. Natuurlijk houden stoplichten daar geen rekening mee, dus alles begon te rijden en daar stond ik. Met het boek in de hand riep ik zwaaiend naar de auto die mij rustig naderde: ’RED HET BOEK!’ en vervolgde mijn tocht naar huis. Daar zag ik pas de titel van het boekje, dat ik had gered van de walsende autobanden. Rinkel de Kinkel, van Martine Bijl. Een boek dat ik nooit gekocht had, maar na deze reddingsactie zal ik het lezen met in mijn achterhoofd de chaos die had kunnen ontstaan door de verkeersveiligheid met een flinke korrel zout te nemen om een boek te redden. Rinkel de kinkel, gelukkig (nog) niet voor mij.

 

© els van dinteren

 

De vleugelnootboom spreekt

Loop naar mijn kurkstam, onder mijn takken.

Ik sta hier alleen, al zou ik met soortgenoten

een indrukkwekkende laan kunnen maken.

Zie mijn hoogte, trots reik ik

naar de daken van het Rijksmuseum.

 

Loop naar rechts.

Hoewel ik hier wortel, kom ik van ver:

Armenië of de Kaukasus.

Hollandse winters deren mij niet:

Sneeuw op mijn takken.

In de zomers een dicht bladerdak.

Tussen twee vleugels mijn vrucht.

 

Keer om en loop naar links.

Ik wijs je de weg. Je ziet

de wandelpaden van mijn labyrint.

Loop van mij weg. Mis je me al?

Straks loop je weer naar mij toe

en zie je de veelarmigheid van mijn kroon.

Kijk naar de andere kant, lage beplanting.

 

In mijn schaduw groeit niet erg veel,

maar de buxushaagjes doen het goed.

Ga nu kwiek naar binnen en verbaas je

over wat onze ogen verstouwen kunnen

en wat handen kunnen maken:

de glans van koper, druiven, satijn, een edensteen.

Let op de schaduw van de hand,

de handschoen en de kip van de marketenster.

 

 

Remco Ekkers 1941 – 2021

Virtueel

vertrouwd, teder, zachtaardig

beantwoordt hij mijn vragen

zonder verbazing, terughoudend

voorzichtig met zijn poëzie

 

kleedt hij mij in zijden Georgette

wikkelt mijn verlangen in een jas

van zacht soepele Kasjmier

hier is alleen het mooiste goed

 

geen moeite om mij mee te delen

dat het goed is wat ik doe

ik ben zijn open boek

hij prijst mij… prijst mij…

 

zonder hem te zien

te horen te voelen

 

ik lees hem

ik schrijf hem

 

 

juni 2021

© els van dinteren

SCHUBERT  Piano Sonate D. 960 Andante

bij het afscheid van R.

 

de eerste klank komt zonder aarzeling

uit de hemel vallen als de zachte emotie

die me rustig ingetogen laat bewegen

bewogen zit je naast me en fluistert

nee  dit niet  het is te veel

 

jaren later bij dezelfde eerste toon

het gevoel van klein geluk dat kleeft

aan herinnering die niet is vergaan

in alle snelle gewoel

van plaats en tijd

 

 

© els van dinteren

uit: dubbelportret / Doppelporträt
edition Staublau No. 11
herausgegeben von Uta Fleischmann, verlegt bei Isensee Oldenburg

Tehuis voor Wachtenden

Ongeveer vijfenvijftig jaar schat ik haar: gekleed in een bont gebloemde legging met daaronder grote sportschoenen en daarboven een korte roze rok en een bruine vale blouse;  haar grijze haar kort geknipt en een gezicht met ingevallen wangen en grote blauwe ogen. Zonder aarzeling loopt ze op me af; ze wekt de indruk dat ze mij een prangende vraag gaat stellen.

’Loopt u ook zo graag over het perron, ik vind het fijn de komende en gaande mensen te zien, vooral de komende mensen bij de treinen, ik wacht op mijn zuster, ze zit in de trein, maar ik hoorde net omroepen dat die niet komt, er is weer iets mis tussen Zwolle en Assen: een dier zeggen ze maar het kan voor het zelfde geld natuurlijk een mens zijn, dat vertellen ze je niet, je moet er toch niet aan denken hoe dat eruit ziet helemaal platgereden om van de spetters maar niet te spreken of zo’n arm dier zo zielig….mijn hond is ook doodgereden ik heb hem begraven, hij was wel oud maar hoefde van mij nog lang niet dood, ik hoop maar dat m’n zus alleen is zonder die vent die mag ik niet en hij mij trouwens ook niet hoor…. maar ze zal wel alleen zijn ze heeft er niets over gezegd.’

We liepen samen een stukje op en neer op het rustige perron. ‘Het waait hier altijd en je mag hier ook niet roken alleen bij die paal; belachelijk wie heeft er godverdomme nou last van die rook, mijn zuster rookt ook maar die vent van haar niet die heeft een hekel aan roken en vindt dat het stinkt; hij heeft overal een hekel aan: aan roken aan afwassen aan boodschappen doen en koken kan hij ook niet ik vraag me af wat ze met die vent wil en wat ie wèl kan nou ja daar kan je je wel wat bij voorstellen hè, maar dat wil mijn zuster dan weer niet zo blijft het toch ’n gedoe met zo’n vent.’

Gelukkig kwam mijn trein binnenrijden en moest ik afscheid van haar nemen. Voor ik instapte keek ik of haar zuster met of zonder die vent uitstapte, maar er was niemand die op haar afliep. Misschien kwamen ze een trein later of had die vent besloten dat ze niet zouden gaan.

Vanuit mijn coupé zag ik dat ze een sjekkie aanstak en rustig het perron verliet. Ze liep naar de overkant, daar woont ze waarschijnlijk in het tehuis voor wachtenden.

 

 

© els van dinteren

Pinksterongeloof

in de reeks van RK-feesten had Pinksteren een derde plaats

eerst kwam Kerst: de nachtmis met drie verklede heren

onophoudelijk werd er gezongen gewierookt geloofd

met na afloop het nachtelijk ontbijt

daarna gingen we een dagje slapen

 

in het voorjaar Pasen: de Goede Week met bizarre biecht

nieuwe kleren het nachtelijk vuur heilig ontstoken

-over geloven werd niet gesproken-

je geloofde wat je hoorde je geloofde wat je leerde

voor kritische vragen was er geen tijd

gedachten kregen ruimte die je zelf creëerde

veertien was ik en al heel vroegwijs

 

Pinksteren was ander feest: bijna zomer kleurig vol groen

Visite, een vreemde taal: het feest van de Heilige Geest

met in de allergrootste pan de duiven van broer

door vader geplukt door moeder gestoofd en van botten ontdaan

dit leugenachtig pinkster-duivenmaal door haar

liefkozend ‘fazantensoep’ genoemd

 

© els van dinteren

leeftijd

ik was op weg, met spoed had ik het huis verlaten

dacht mezelf kruipend een pad te banen

langs onbekende sporen was ik onderweg

 

van de vroege morgen of late middag

-over nachten wordt hier maar gezwegen-

het traag dagelijks wachten hoe een reis verloopt

verward, vluchtig, vaak van klare taal beroofd

om ergens aan te komen was

vooralsnog geen enkele sprake

 

men hulde mij in nevelmist

 

de traagheid is verstreken

de misthoorn is verruild voor helder zicht

zo creëert lethargie een nieuwe tijd

 

getallen achter me gelaten om totaal verreisd

maar rechtop en zonder schaamte

aan te komen in reële tijd

mijn werkelijke jaren

 

 

© els van dinteren

‘Is het gepermitteerd…

dat ik mijn bord aflik’, vroeg hij zeer geaffecteerd. De gastheer keek er niet van op, gaf onmiddellijk toestemming en nam zelf ook zijn bord ter hand. De beide mannen likten voorzichtig met een serieus gezicht hun bord schoon, plaatsten het terug op tafel, pakten het servet en depten hun mond. De omstanders -vrienden en vriendinnen- hadden ook heerlijk gegeten, ze lachten niet en vertrokken geen spier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Hij, de ‘vrager’ was gast en op bezoek vanuit Canada. De oorlogsjaren had hij in het Jappenkamp doorgebracht, samen met zijn ouders. Op 14-jarige leeftijd was hij alleen naar Nederland gekomen om zijn school af te maken en bleef vervolgens in Nederland om te studeren. Tijdelijk woonde hij in een pleeggezin in Friesland, samen met andere kinderen met eenzelfde achtergrond. Hij had iets ‘overgehouden’ aan het kamp: het had te maken met eten. Aan de ontbijttafel werden geregeld alle broodkruimels bijeengeschraapt. Die stopte hij vervolgens in zijn zak. Soms liep hij er mee naar buiten; hij had altijd een klein plastic zakje bij zich voor ‘onderweg een hapje’. Ik had dat nog niet eerder gezien, maar zijn vrouw vertelde dat het erger was geworden, naarmate hij ouder werd.
Deze avond waren we met vrienden om gezamenlijk een Marokkaanse Pastilla te eten: een hartige taart met gedroogde vruchten, noten, groente en Marokkaanse kruiden, afgedekt met filodeeg en ruim gepoederd met suiker. Gemaakt door de andere oudere man. Ook hij had de oorlog meegemaakt, maar als jonge jongen in Amsterdam. Hij kon smakelijk vertellen over wat er in de vuilnisbakken te vinden was. Beide mannen wisten wat honger was en hadden dezelfde ‘afwijking’: nooit iets eetbaars weggooien! Een doodzonde! Als het eten heel lekker is mag je je bord aflikken!

Ze bleven de jongens die zij vroeger al waren.

De volgende dag logeerden we in het boshuis, waar een grote voederplek voor vogels en reeën is. Daar worden regelmatig broodresten neergelegd. Soms komt de eekhoorn, maar over het algemeen zijn het de vogels die weten waar ze eten moeten halen. Nu liep onze gast naar buiten en keek peinzend naar wat er op de voedertafel lag. Hij aarzelde niet en begon rustig te eten. Vanuit de kamer zagen we het gebeuren; hij was de concurrent van de vogels geworden: hij nam het ervan. Een deel van het voer stak hij weer in zijn zak, keek naar binnen en vroeg: ‘Wanneer gaan we fietsen?’ Het duurde niet lang, of al fietsend at hij zijn plastic zakje leeg. ‘Lekker hoor, die vogels worden bij jou maar verwend‘, sprak hij deftig met volle mond. Hij lachte satanisch en zette de grote versnelling op. Hij ging er vandoor en bij het eerstvolgende restaurant bestelde hij uitgebreid koffie met gebak: ‘Voor de broodnodige afwisseling.

Lusten jullie ook wat?’

 

© els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!