l bm - els van dinteren
Close

Á la recherche…

er zijn geen pasteien noch

blini’s, dubbel gebakken met

te duur aangeschafte kaviaar

 

gefileerde tong of erger; tarbot

in saus van witte wijn, mierikswortel

en geslagen zure room

 

oh nee, denk niet aan chablis, port of

de zelf gebrouwen granach, aangelengd

met een flinke scheut eau de vie

 

op tafel -naast de theepot- wacht  slechts

geduldig het schaaltje met zelfgebakken

Madeleines

 

© els van dinteren

Alle Menschen werden Brüder

Bij het lezen van ‘De klerk Bartleby: een verhaal van Herman Melville over Wall Street kwam ik niet verder dan de eerste zeventien pagina’s. Hij beschrijft uitvoerig en minutieus zijn kantoor en de mannen die daar werken. Zo uitvoerig dat ik plotseling dacht aan een situatie waarin ik jaren geleden terecht kwam. Nog piepjong werkte in een kantoorachtige setting op een groot computercentrum in het midden van het land.

Zij was een vrouw van rond de veertig jaar. Tenminste, dat werd verondersteld. In de ochtend kwam ze aangefietst, maar dat zagen wij nooit. Altijd was zij als eerste op de kamer. Daar hing haar beige stofjas, voorzien van extra losse mouwen met boven en onder elastieken, zodat alles op zijn plek bleef zitten. Haar gezicht vertoonde frisse trekken door couperose, wat haar een gezond uiterlijk verschafte. Uit de extra mouwen staken twee verzorgde handen, zonder sieraden. Enkele van haar vingers waren gebruind door sigarettenrook. Haar blik was van een vrome maagd en haar werklust was zonder weerga. Een ijverige vrouw in cognito. Ooit was er een receptie en trok zij haar grauwe imago uit: daaronder droeg zij haar mooie kleding inclusief een pront décolleté. Zonde dat wij als collega’s daar niet van mochten genieten. Af en toe sloeg ik haar gade, ook die namiddag dat ze werd opgehaald door een man met fiets. Ik dacht dat het haar verkering was. Hij belde en keek naar boven -we hadden uitzicht op de straat- maar ze reageerde niet. Ik vertelde dat er een man beneden stond, die waarschijnlijk voor haar kwam. Ze stond op, keek verachtelijk naar hem, zwaaide hem weg en vertelde dat het haar broer was. Ze kon zelf wel naar huis fietsen. Om vijf uur verliet iedereen het pand.  Zij ging als gewoonlijk als laatste weg, nadat zij zich van haar werkkleding had ontdaan. Ze woonde op fietsafstand samen met haar moeder en oudere broer, die als beschermengel over haar waakte.

Onze chef -meneer S.- was een kleine tengere, zeer aantrekkelijke man van een jaar of vijftig, met donkerbruine priemoogjes en een snelle wendbare tred: van het type streng maar rechtvaardig en genoot groot respect. Hij was de intelligente uitvinder van een nieuwe computertaal en kon via het door hem uitgevonden systeem de computer laten zingen: Alle Menschen werden Brüder. Er werden ook grappen over hem gemaakt; sommigen waren oprecht bang voor hem. Ik niet.

In de vakantieperiode bleef hij op zijn werk, terwijl hij toch ook een vrouw en kinderen had. Op zijn deur hing een bordje: NIET STOREN, IK HEB VAKANTIE. Niemand durfde hem daar te storen of aan te spreken, ook niet als hij op de gang zijn koffie inschonk.

Zoals gewoonlijk verliet ik die dag het pand aan de achterkant van het gebouw, dicht bij het busstation. Het was eind december en er waren inkopen gedaan voor de feestdagen. Ik was een deel van mijn boodschappen vergeten en moest snel terug naar mijn werkplek om nog een tas op te halen. De lichten waren zo goed als uit, maar ik vond mijn weg door het labyrint. Ik zag dat zij nog niet vertrokken was.
Tot mijn verbazing zat meneer S. op mijn stoel en zij zat op zijn schoot: niet in de amazonezit. Zij was ontdaan van haar werkkleding, inclusief de mouwen. Ze zat in haar zondagse goed. Samen rookten ze gezellig een sigaret in de decemberschemer.

Of er niets aan de hand was pakte ik mijn vergeten boodschappentas en wenste beiden veel plezier en prettige feestdagen en verdween in lichte shock weer naar buiten.

Vanaf die dag was haar stofjas verdwenen en ook de losse mouwen hebben we nooit meer gezien. Het was geheim wat daar gebeurde en pas nu na al die jaren schrijf ik over haar en hem. Misschien leeft ze niet meer of is ze zeer oud met een dito décolleté, en is hij inmiddels een keurige overgrootvader. Hij heeft haar minstens uit de eerste schil lelijke kleren bevrijd: dat mag hij –naast zijn ‘Alle Menschen werden Brüder’- op zijn conto schrijven.

 

© els van dinteren

Agnus

Beeld: Kitty Boon
Beeld: Kitty Boon

 

 

 

 

 

 

Op verzoek zorg ik voor lamsschenkeltjes: klein, fijn en lekker. De Marokkaanse slager groet me vriendelijk en vertelt over zijn verse waar: “Mevrouw, vers lamsgehakt, ik maak zelf, niet vet.” Er wordt besteld en ik kijk naar zijn assortiment en besluit zes mooie schenkeltjes te nemen. Hij zoekt de mooiste uit en laat me het bot zien en roep dat het heerlijk vlees is. “Hebt u ook lamstongetjes”, vraag ik wat beschaamd. Hij kijkt me aan en roept: “Ja, lekker!” Hij duikt zijn vriezer in en komt terug met een pak van meer dan één kilo. (Hoeveel tongetjes gaan er in één kilo?) Ik vraag of hij ook kleine pakjes heeft; die heeft hij niet. “Nee, ik maak twee pakjes; één voor u en één voor mij!  Vrouw is vanavond heel blij!  Dit eten is voor feestdagen”, vertelt hij mij aandachtig in zijn taal, bijna zonder lidwoorden. Het grote pak wordt met de cirkelzaak in tweeën gezaagd. Alle tongetjes doormidden. Au. Ik betaal contant. Zo heeft hij dat graag. Er is een pin, maar die wil hij niet gebruiken, waarom weet ik niet.

Voor de verjaardag van één van de vrienden kook ik in het bos. Ik heb de auto ingepakt voor het weekend en vertrek naar mijn huisje. Een wegomlegging leidt me langs prachtige weilanden en bosranden. Een plek waar ik nooit kom, terwijl het zo dichtbij is. De krentenbomen staan bijna in bloei en in de bermen verschijnen de eerste bosanemonen. Het is vroeg in de morgen en de zon doet zijn best. Vlak bij Norg kom ik in een kleine verkeersopstopping, die dwingt me de motor even uit te zetten. Ik wacht geduldig, luister naar de Mattheus op de radio en ben veroordeeld even naar rechts te kijken. Daar liggen twaalf kleine lammetjes in de wei. De moeders kijken gedwee naar hun kroost. Vlak bij de weg, langs het hek liggen drie lammetjes in elkaars pootjes, de kopjes tegen elkaar en gericht naar de zon. Ze slapen nog, zo te zien. Wat ’n lieflijk pastoraal beeld.
Ik denk aan het pakket vers vlees achter in de auto en besluit ter plekke dat dit de laatste keer is dat ik lamsvlees eet. En nu volhouden! ….En het vlees… en de tongetjes….en de vriendelijke slager?

 

© els van dinteren

 

 

Bijzonder bezoek

Het is nog geen Pasen en toch was ik getuige van een onverwachte opstanding. De opstandeling liep mijn bospad op aan de arm van vriendin R. Hij hing weliswaar wat aan haar en zijn tred was niet de allersterkste, maar hij liep! Iets wat hij en wij niet meer voor mogelijk hadden gehouden. Hij lachte licht cynisch in mijn richting, zijn voeten werden aandachtig neergezet en hij bleef overeind.

Zonder aarzeling nam hij zelfstandig het opstapje voor de deur en binnen ontdeed hij zich voorzichtig van zijn jack. ‘Lekker warm hier, houtkacheltje, heerlijk’.

Ik stond mijn stoel met warm schapenvachtje aan hem af; lekker zacht voor zijn bijna ontbrekende billen. Zijn ouderwetse bakkersbroek met blauwe ruit slingerde om zijn magere benen. Ik keek hem even aan en we lachten alle drie om dit bijzondere tafereel.  Zijn vriendin wilde met hem wandelen, maar hij stelde voor zelf met zijn auto naar het boshuis rijden. En dat lukte!

De verhalen bij de kachel waren vooral hilarisch: niet die over zijn slopende ziekte, maar de anekdotes over het RK-geloof, waarin we beiden waren opgevoed. Biechten, scapulier-medaille op de borstrok, de Blasiuszegen tegen kroep, het wijwaters-vaatje, het heilig oliesel, askruisje, nuchter ter communie en het van flauwvallen in een langdurige mis met drie Heren. De Paasweek kwam langs: de met witte kleden afgedekte beelden op witte donderdag en die op goede vrijdag in dieppaars en natuurlijk uiteindelijk het paasvuur en de opstanding. We wisten ervan! Vriendin R. was van andere huize en vermaakte zich vooral over de terugkerende bulderlach.

De dood had hij voorlopig even terzijde geschoven door een immuuntherapie, die zowel tot verbazing van de artsen als voor hemzelf redelijk was aangeslagen. Wat het meest aan hem opviel was zijn oude humor. Door alle pijn en afbraak was zijn vileine humor en eloquente taalgebruik redelijk overeind gebleven. Zijn hersenen waren godzijdank niet aangetast en daar maakte hij ruim gebruik van. We dronken thee met Madeleines en natuurlijk maakte hij de voor de hand liggende opmerking, met een blik naar zijn beide toehoorders:  ‘Ja hoor, die kennen we. We lezen soms ook een boek.’

Opeens keerde hij terug naar zijn ziekenhuisbed, waar iets bijzonders was gebeurd. Hij leed aan heftige pijnen, daarom moest een zenuw operatief worden omgelegd. Daarna nam de pijn af en trad herstel tijdelijk in. Op een ochtend stond er een arts naast zijn bed met de vraag: ‘Ken je me nog?’ Het was Rob G., die als jonge leerling bij hem op de lagere school in de klas had gezeten. De mannen hadden elkaar al die jaren niet meer gezien: de patiënt nu 74 jaar en het kleine kereltje inmiddels 60 en hoogleraar neurologie. Een prachtige ontmoeting! Rob kwam dagelijks even bij ‘zijn meester’ langs om naar hem te kijken.

Teruglopend naar de auto deelde hij ons voorzichtig maar standvastig mee: ‘Ik vergat jullie nog iets te vertellen. Ik ben weliswaar tijdelijk opgestaan, maar ik vertrek binnenkort. Er is geen ontkomen meer aan!

Nu, bijna een jaar later lees ik dit verhaal terug: hij is kortgeleden vertrokken.

 

© els van dinteren

 

LEVENSLUST

beeld Nico Meijer Drees, Canada
beeld Nico Meijer Drees, Canada

 

een paard met zeer vrouwelijke naam

merrie van zekere leeftijd maar nog lang

niet uitgeblust staat vol energie

te weiden en is -gezien het aantal jaren-

haar naam nog immer meer dan waard

wat met haar te doen?

de slager denkt aan saucijs en sudderlap

beter nog haar tijdenlang in alle rust

te laten grazen en door kinderen gevoerd

geknuffeld of -als het eindelijk zover is-

heel zachtjes te worden dood geaaid.

 

© els van dinteren

 

KUNST

beeld: portretbuste Beatrice de Aragon, Francesco Laurana +/- 1430-1502 Mauritshuis / Frick-collection

in een glazen omhulsel tegen de blauwe

wand staat zij roerloos – het beeld van adel

op haar hoede, de aderen op haar blanke

gelaat verraden een tere huid

 

-Beatrice, koningsdochter, Napels 1471 –

ooit gehouwen uit wit marmer

gebeiteld, geschuurd, gepolijst

tot universele schoonheid

 

zo te willen schrijven;  taal beitelen

tot beperkte maar rake proporties

 

© els van dinteren

mutua fides

van tijd tot tijd komt hij vermoeid

maar ongeduldig aangevlogen

weet zich onbespied grenzeloos

te laven als een doorgewinterde zuiper

gewend aan een hoeveelheid drank

 

vanmiddag weer – zijn verenpak met

zwarte rafel – zittend op de waterbak

krijst hij zijn rauwe kreet

neemt snel een bad drinkt nog wat en

schijt daarna zijn tomeloze dank

 

zonder hem voel ik me liggend op het

dakterras roekeloos verlaten

 

***

Uit: els van dinteren, dubbelportret / Doppelporträt

edition STAUBLAU no. 11, Uta Fleischmann / Isensee Verlag

zeelandschap

beeld: Henk de Vries, Holwerd (eigen collectie els van dinteren)
beeld: Henk de Vries, Holwerd (eigen collectie els van dinteren)

 

waar strand door brak water wordt

drooggelegd volgt het dagelijks terugkerend

getijderitueel van komen en gaan

 

zoals voetstappen op een zompig pad

raakt de waterader dichtgeslibd in vele

kleine delta’s     verstild verzand

 

waarna de onverstoorbare branding

zonder voorbehoud het rusteloze water

haar natuurlijke gang laat gaan

 

© els van dinteren

Existentieel

De aankondiging in het reclameblok vanmorgen op Radio 4 hakte er behoorlijk in. In de tv-uitzending van Radar zouden de oplichterspraktijken van een zogenaamde trouwjurken-ontwerper aan de orde worden gesteld. Toekomstige bruiden waren in alle vertrouwen met deze zogenaamde couturier in zee gegaan en bestelden de mooiste creatie van hun leven, voor heel veel geld. Het toegestuurde resultaat was een met plakband en andere noodmaatregelen aaneen gefrummelde uiteenvallende trouwjurk. De post kwam twee dagen voor het grote feest. De toestand!

Ik moet er overigens niet aan denken om me (weer) in een trouwjurk te hijsen.

Afgelopen week ruimde ik de kledingkast op. De sinds jaar en dag onaangeraakte stukken textiel verhuisde ik ‘naar elders’. De Humanitas-winkel brengt verlichting in bange dagen, voor wie niet vies is van een 2e hands jas, jurk of broek. Recycling in de aardigste zin van het woord, met een humaan tintje. Het geeft rust!

Het kostte niet veel tijd: opruimen kan ik goed. Het verlicht keuzemomenten en creëert ruimte in het hoofd. Hoe minder spullen hoe liever. Ik ben mijn eigen opruimgoeroe geworden.

Daar stond plotseling het kleine lederen koffertje met de boodschap in hoofdletters: ‘Pas openen na mijn dood.’ Het was nog niet zover, maar het is tenslotte mijn eigen koffertje en mijn eigen handschrift. Het koffertje open gemaakt en ja hoor, het zag er allemaal nog heel herkenbaar en vertrouwd uit. Wel heb ik even een klein rustmoment ingelast. Of ik er nog in zou passen was natuurlijk de vraag. Zonder twijfel hees ik me in de gebroken witte rok en daarna in de bijbehorende jurk met split tot aan het middenrif, bijeengehouden door een grote strik. Het was een hele chique creatie voor die tijd. Nee, er was geen sluier, daar hield ik niet van. Te veel gedoe en gesleep. Wel bekeek ik nog even de bijbehorende foto’s en zag een jong verliefd stel, dat de toekomst met veel plezier en vertrouwen tegemoet trad.

Soms valt er een jurk uiteen en blijft het huwelijk langdurig voortbestaan. De omgekeerde situatie komt jammer genoeg vaker voor. Altijd goed voor andere tv-uitzendingen.

Mijn jurk is wonderwel in een mooie frisse staat gebleven.

 

© els van dinteren

KUNST

Barbara Hepworth Museum and Sculpture Garden
(c) Tate

De voorspelde bui hield zich in vanwege de opkomende wind. Ik wachtte en keek naar de donkergrijze lucht die verdacht veel op de contouren van Europa leek: in het noorden Scandinavië, in het zuid westen het Iberisch Schiereiland en in het diepe zuiden de laars van Italië.

Als een donderslag bij heldere hemel vond een spontane afsplitsing plaats. Engeland dreef nog verder weg van het vaste land en begon nog meer een eigen leven te leiden. In het noorden de Faeröer Eilanden, een listig afgesplitst Schotland en onderin de contouren van Lands End.

Ik wandelde al dagen langs het costal path, met rugzak en poncho. Het regende veelal; de richting was zuidwest.

De route was naar St. Ives; de woonplaats van Barbara Hepworth. Haar atelier was nog geheel in takt; de sigarettenpeuken geurden alsof ze zojuist waren uitgedrukt. Haar kunst was langs de kust toegevoegd aan het landschap. Wind en regen deden hun werk.

Engeland loste op en waaide weg in herinnering. De bui kon komen.

Deze week, drie decennia later zag ik weer haar kunst.
Onveranderd sterk en van onverwoestbare schoonheid.
De asbak met peuken is in St. Ives gebleven.

 

© els van dinteren

 

 

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!