l bm – Els van Dinteren
Close

BRODSKY

San-Michele
San-Michele

 

vanaf de Fondamenta degli Incurabili* staar je

over het water naar het stille dodenrijk

zijn boot zal je brengen daar waar je zal rusten

in nabijheid van haar, je geliefde Venetië

dampende mist, de sfeer van stilte dragend

het water, de tijd, licht en donker

heden en verleden, verlangen en vervulling

liefde en afscheid, taal en uiteindelijk zwijgen

de onvermijdelijke dood, het metaforische

incurabile voor alle pijn

met geheven hoofd de tsarenstad achter je gelaten

– jij, luie jood die niet wilde werken- dichter en schrijver

verboden in je eigen kernachtige taal, de zangerige

monotone aanhoudende klanken

het lichaam verteerd door rook alcohol en melancholie

de geest vervuld van eigenwaarde liefde en passie

langzaam neergegaan in opstandigheid

rust waar je wilt zijn, Isola di Michele

bedevaartplaats voor dichters en schrijvers

Igor Stravinsky in nabijheid en op minimale afstand

Murano, waar het brakke water en het heldere glas

je gedichten en verhalen weerspiegelen

 

*Kade der Ongeneeslijken/Venetië

met dank aan De Bezige Bij

 

Inktzwam (coprinus comatus)       

Inktzwam
Inktzwam

 

in het gras onder de berk verscholen

de ontluikende witte hoed de zachte schubben

daarboven een licht gekleurde tepel

de gesloten onderkant draagt mysterie

zwarte magie voor latere dagen

 

de jonge hoeden voorzichtig gesneden

behoedzaam beroerd  zacht bekokstoofd

met verse inkt het recept geschreven

 

© els van dinteren

Naar aanleiding van Onvoltooide Liefdesbrieven (Michaïl Sjisjkin)

Het is een dans macabre waarin je optreedt. Onwaarschijnlijk maar waar. Je draagt je witte pak, met daaronder je donkerblauwe zijden hemd. Ze hangen weer om je heen, de vrouwen waarmee je werkt, mee uitgaat en met ons bevriend. Je opent je dans met Alice, een kop groter en je steun en toeverlaat op het werk. Onderweg ontmoet je Troes en Truida, zij zijn nichten, dansen samen en hebben heel wat te bespreken. Je kust hun hand, altijd charmant. Dan is er een changement en ik zie je zwevend gaan, naar stille Ans. Zij heeft haar dranktas met likeur aan haar arm en geeft je slokjes. Je lust er wel pap van; maar zij heeft het nippen tot kunst verheven, dus dat wordt aanpassen. Het wordt merkwaardig aangenaam en de rij wachtenden wordt groter. Ik zie mijn moeder met haar kleine dure schoentjes. Zij danst met haar oudste zoon, terwijl haar kleinzoon zich in een totaal andere maat voortbeweegt. Papa is druk en tekent een hittebestendige paternoster. Op de bank aan de zijkant zit jouw moeder, zonder feestjurk, met haar schort nog aan en op haar versleten pantoffels. Zij kijkt uit naar haar man, die al langgeleden vertrokken is. Zoals gewoonlijk zijn haar nylons aan flarden, maar wat kan het schelen. Het uiterlijk is hier niet van belang. Plotseling roep ze: “Waar zijn we hier, jongen” en jij roept: “In het vagevuur, moeder. Het wachten is waar we straks heen gaan.”

Uit een zijdeur verschijnen Lea en Bob. Zij zijn voorzien van een reistas en zijn al aan de Gouden Poort geweest, die door dominee beloofd was. Ze zijn er nog niet aan toe, of mogen ze er nog niet in? Voorlopig zijn ze tevreden met de gasten in het vagevuur, hoewel het zeker niet hun doel is. De Hemel was toegezegd, maar soms lopen zaken anders dan verwacht. Ze dansen voorzichtig rond en groeten bekenden en onbekenden en constateren: wel erg veel ongelovigen hier. Het valt op dat niemand een horloge draagt: tijd is hier schijnbaar niet van belang. Er wordt ook niet gegeten: zeker een te aardse bezigheid?

Het wordt alsmaar warmer en opeens zie ik dat je één vleugel op je rug draagt. De andere is gesmolten en hangt er verloren bij. Sommige aanwezigen hebben alleen maar kleine stompjes waar nog vleugel uit moet groeien. Er ontstaat plotseling een groot gat waarin de bloedhete hel te zien is. Dante loopt zijn ronde, samen met Vergilius. Je ruikt de vuile opstijgende dampen. Oh, wat ben je bang daarin te verdwijnen. In je smetteloze witte pak kijk je over de rand, snuift wat en maant ons hier onmiddellijk weg te gaan. Je roep nog: “Zonder pijn kan er geen leven zijn”, teksten uit het nog niet vergeten verleden. Als de muziek afgelopen is stel je voor samen aan de oude Port te gaan. Ja, gedronken moet er worden, zeker onder deze zware omstandigheden.

Dan volgt het lied: Ich bin der Welt abhanden gekommen…

Ik stribbel tegen, ik wil nog niet, laat me los, ik wil nog niet. Blijf verdomme van me af!

 

© 050314/060920 els van dinteren

Moeder van drie gratiën

ze is jong maar heeft een vage zachte rimpel rond

haar mond, haar handen in rustige beweging

terwijl haar oudste kind -een jonge vrouw-

voorzichtig aandacht vraagt terwijl ze voor ons

kookt wordt er gelachen om een goede grap

als een schoonheid binnenschrijdt de rugzak vol

geleerde stof: een uitbundig gemeende groet

daarna volgt rustig pianospel, sereniteit

haar derde kind -zeer beweeglijk theatraal-

vertelt hoe haar drukke dag verloopt

een verhaal over wiskunde, Grieks, Latijn maar

altijd de fietstocht met behoorlijk veel tegenwind.

 

© 060920 els van dinteren

Troost

over rotsen de wankele afdaling met

zicht op verhalende cipressen waar

Hugenoten begraven zonder steen

of voortvluchtig in de diaspora

terug klimmend in de verte het

terracotta dak  de oude deur

schietgaten in de wanden

laaghangend mist  rook  geur van hout

de oeroude rank levert haar vrucht

in harsachtige herinnering  samen

met kaas in schimmelzout

vruchten gerimpeld door tijd

gekonfijt  maar de kern zo zoet als

liefde die moeilijk te verklaren valt.

© Els van Dinteren
Cevelas (France)

25 jaar nadien

HERINNERING

 

in de kamer wees hij waar de tafel stond

hoe de kinderen hier hun eerste stappen zetten

dagelijks geluk van rust en geborgenheid

thuis rustte nu in muren overwoekerd

 

door wingerd  wilde hop  lager de varens

oude mossen  witte lelies

de trap hing moederziel alleen boven was gezonken

in de hel van geweld en haat

 

een rode kastanje had als nieuwe bewoner

de ruimte al bloeiend in bezit genomen

buiten – zwaar van kersen abrikozen en druiven

het uitzicht met beboste bergen een roepende

 

aangevreten door het grote vergeten

geen verzachtende omstandigheden te vinden

op de onbegaanbare wegen van

Srebrenica en Potočari

 

© 040715  els van dinteren

geschreven n.a.v. de documentaire Waarom Srebrenica moest vallen

De oude Groningse

Hij had zijn zinnen gezet op het huis van mevrouw De Vries, in het Groningse dorp waar hij zo graag wilde blijven wonen. Zijn eigen huis was langzamerhand iets te klein voor zijn grote statusgevoel, dus droomde hij stiekem een stapje hoger te gaan wonen. Zijn vrouw vond het onzin, maar zij was gewend hem zijn zin te geven. Hij had al twee keer informeel met de zonen van mevrouw De Vries gesproken en voorgesteld dat zij toe was aan een kleinere woning of misschien wel een plekje in het bejaardenhuis. Zij was tenslotte al 86 jaar! De kinderen De Vries waren het roerend met hem eens en dachten aan de vette erfenis, die dan vroegtijdig kon worden ingelost. Tenslotte ook nog gunstiger voor de belasting.

Hij liet er geen gras over groeien en zette zijn eigen huis in de verkoop, met de gedachte dat het zo’n vaart niet zou lopen. Mevrouw De Vries had bij de jongens haar verbazing uitgesproken, dat de dorpsgenoten hun huis te koop hadden staan. ‘Zeker niet deftig genoeg’, had ze gezegd. Haar jongens zwegen als het graf. Ondanks de slechte tijd voor de huizenmarkt werd het huis binnen een maand verkocht. Nu was zijn tijd gekomen om spijkers met koppen te slaan, samen met de kinderen De Vries.

Op een avond belde hij aan en werd gastvrij binnengelaten. Daar hoorde hij dat er nog niet met moeder over de voorgenomen verkoop van haar huis was gesproken. Het zou geen problemen geven, maar het kostte wel wat tijd. Op deze snelheid was niet gerekend, door niemand.
Er werd een plan gemaakt om moeder te vertellen dat haar huis in de verkoop zou gaan.

De jongens De Vries, met hun vrouwen, gingen bij moeder langs. Zij sprak haar verbazing uit dat het bezoek niet was aangekondigd en nogal onverwacht kwam. Na de thee vroeg zij aan haar jongens en hun vrouwen: ‘En wat brengt jullie hier op dit merkwaardige moment?’ De oudste zoon nam het woord: ‘Moeder, u bent al oud en we dachten dat het misschien beter voor u zou zijn om naar een andere woning uit te kijken’. De moeder was zichtbaar verbaasd en zei dat ze er de komende tijd wel over na wilde denken. ‘Maar de tijd dringt, sprak de andere zoon: er is een koper voor uw huis’. Hierop werd de moeder boos: ‘Wie heeft dit zo geregeld en waarom weet ik hier niets van …en wie is dan die koper?’ Er werd verteld dat de dorpsbewoners van even verderop haar huis willen kopen. Ze werd woedend: ‘Die heb ik vorige week –nota bene- nog uitgebreid gesproken in de supermarkt en geen woord over mijn huis!’

Haar kinderen wisten niet hoe nu verder, maar moeder bracht onmiddellijk uitkomst: ‘Dit huis waar ik mijn hele leven al in woon en dat door vader zo prachtig is onderhouden, wordt helemaal niet verkocht! Ik blijf hier wonen tot ik sterf en ik heb me voorgenomen 105 jaar te worden. Laat die twee stiekemerds van verderop zelf maar naar het bejaardenhuis gaan. Ik blijf hier…. en jullie ….allemaal eruit, en voorlopig er niet meer in!  Als ik hieruit moet zal het horizontaal zijn, en niet anders!’

Hij, de toekomstige koper, kreeg onmiddellijk bericht van de kinderen De Vries en wilde graag zijn net verkochte huis terugkopen, maar dat kostte hem 30.000 euro. Dat ging dus niet door. Hij woont nu in een klein huisje op een camping samen met zijn vrouw, en kan uit schande niet meer terug naar zijn geliefde Groningse dorp. Iedereen daar -en waar hij nu woont- weet dat hij het huis onder de kont van een oude Groningse vrouw wilde wegkopen.

© Els van Dinteren

 

Deksels van sarcofagen

Ergens achteraan op de Pincio of misschien al in de Villa Borghese

liggen in de open lucht tussen de struiken twee deksels van sarcofagen,

gehouwen uit steen van een mindere kwaliteit. Het zijn geen kostbaarheden,

ze liggen daar maar. In de lengte uitgestrekt rust daarop het echtpaar dat

zich er eens bij wijze van memento op heeft laten uitbeelden. Men ziet

veel van die deksels in Rome: maar in geen enkel museum en in geen enkele

kerk maken ze zo’n indruk als hier onder de bomen, waar de figuren zich

neergevlijd hebben als op een picknick en net ontwaken uit een slaapje dat

tweeduizend jaar heeft geduurd.

Met het hoofd op hun elleboog liggen ze elkaar aan te kijken. Het enige dat

ontbreekt is tussen hen in een mandje met kaas en wijn.

De vrouw heeft een kapsel met kleine krulletjes, – zo dadelijk zal ze het voor

haar middagslaapje schikken volgens de laatste mode. En ze glimlachen naar

elkaar; lang, heel lang. Je wendt je ogen af: ze blijven het doen, er komt geen eind aan.

Die trouwe, brave, burgerlijke, verliefde blik heeft de eeuwen getrotseerd; hij

heeft in het oude Rome het oog verlaten en kruist vandaag het jouwe.

Verbaas je er niet over dat die blik jou niet loslaat; dat beiden niet wegkijken

of hun ogen neerslaan: ze verstenen niet, maar vermenselijken erdoor.

 

Uit: Robert Musil, Het postume werk van een levende

Ceder Editie, Meulenhoff Amsterdam, 1978

 

Onderaardse schoonheid

Vandaag hoorde ik het weer op Radio 4 en de herinnering kwam onmiddellijk terug.
Omdat ik me had voorgenomen de wc in de trein niet te gebruiken waren mijn gedachten gefixeerd op het artikel in de ochtendkrant. Ik wist exact in welke richting het wc-pijltje stond: rechtsaf en dan de deur door. Eindelijk reed de trein het station van Utrecht binnen en liep ik gehaast in de richting van kantoor voor een drukke vergadering met gasten en collega’s. Op de Oude Gracht merkte ik dat het niet langer ging en daalde ik de trap af naar het openbare toilet. Daar werd ik overdonderd door prachtige muziek. Ik stond een moment stil en luisterde. Een oudere man zat achter een tafeltje, op het schoteltje lag wat kleingeld. Mijn eerste gedachte was: een herentoilet. Wat te doen, luisteren of gaan? De man wees me met een bescheiden handgebaar naar rechts: daar moest ik zijn. Het was rustig, er waren geen andere klanten. Bij het verlaten van de wc waste ik mijn handen, de man reikte me een papieren servetje aan en ik luisterde nog even naar de muziek uit zijn oude cassetterecorder.

De man nam zijn plaats weer in en wees naar de andere kant van het tafeltje. Daar stond een tweede stoel. We luisterden samen naar de opera. Witte tegels, schone wasbakken, een mannen- en een vrouwentoilet, een tafeltje met schoteltje, de cassetterecorder en ik als zijn secondant. Er kwamen nieuwe gasten langs, deden snel wat nodig was, wierpen geld op het schoteltje en vertrokken zonder iets te zeggen. De man vertrok geen spier en liet zich op geen enkele manier door zijn bezoekers afleiden.

Natuurlijk kon ik niet direct opstaan, dat zou onvriendelijk zijn. De muziek werd heftiger en er klonk een gepassioneerd duet tussen een bas en een tenor. De man, hij leek mediterraans, was ooit diepzwart van haar geweest, nu overwegend grijs, met een grote snor en zeer vriendelijke bruine ogen. Hij droeg een spierwit overhemd met daar overheen een enigszins versleten colbert met elleboogstukken. Dat deed niet af aan de adellijke trekken in zijn gezicht of aan de situatie waarin hij zich bevond. Hij luisterde geboeid naar de muziek. Vragend en met opgetrokken wenkbrauwen keek ik hem aan.

‘Pasquale, Don Pasquale’, sprak hij zacht. Wetend hoe lang een opera kan duren dacht ik aan mijn vergadering en maakte voorzichtig aanstalten om te vertrekken. De man hief voorzichtig zijn hand en maande mij nog even te blijven. De rechter kant van zijn snor trok hij iets op, als blijk van vriendelijkheid. Hij fluisterde: ‘La Donna.’ Binnen enkele seconden begon een heldere sopraan haar adembenemende aria. De muziek won het van de tijd; we luisterden samen naar de aria en naar de rest van de eerste acte. Daarna stond ik voorzichtig op.
Hier kon ik toch geen geld op een schoteltje leggen?

Gelijk met mij stond hij op en terwijl ik hem mijn hand toestak om hem te bedanken pakte hij die voorzichtig en gaf er een kus op; een echte handkus, zoals het hoort. Zijn zachte snorharen raakten amper de bovenkant van mijn hand. We keken elkaar heel even aan. Op de trap naar boven draaide ik me om en gaf hem een welgemeende glimlach. Hij knikte verlegen. Oeroude cultuur en elegantie in het openbare toilet, vroeg in de ochtenduren op een gewone doordeweekse dag.

Bij binnenkomst vroeg de voorzitter of er ernstige vertraging op het spoor was. Blozend en met kloppend hart was mijn antwoord: ‘Ik was in de opera, Don Pasquale, en moest wachten tot het eind van de eerste acte. Eerder kon ik de ruimte niet verlaten. Mijn gezelschap liet me niet gaan en het zou wel zeer onbeleefd geweest zijn daar geen rekening mee te houden.’
Zij en de anderen keken me glazig aan en dachten aan Den Dolder.

© Els van Dinteren

Verlangen

© Klara Dijkema

 

we plukten stengels en gooiden de bloemen

aan de kant van de sloot, het ging om holle stelen

die fluit zouden worden, als het lukte om er

vorm in te snijden en er toon uit te blazen

 

de bloemen werden meegenomen als dank

voor het late buitenspelen, nadat eten met

grote snelheid was verorberd en door haar

een boterham voor onderweg was ingepakt

 

nu komt de toon uit andere instrumenten

de overdaad langs het zandpad wordt gesneden

om tafels te sieren met het prille groen

het zachte crème als filigrein van een mooie kindertijd

 

© Els van Dinteren

 

 

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!