l bm – Page 3 – els van dinteren
Close

W.G. Sebald lezen!

Naar de natuur

 

Nach der Natur: ein Elementargedicht

De Duitse titel van het kleine vertaalde boek, met drie poëtische vertellingen van W.G. Sebald, uitgekomen bij De Bezige Bij in 2008 met de titel Naar de natuur.

Ingedeeld in drie hoofdstukken:

I-VIII Als de sneeuw op de Alpen

Sebald neemt ons aan de hand mee langs o.a. de triptiek geschilderd door Mattheus Grünewald van Aschaffenburg, tijdens zijn bezoek aan de parochiekerk van Lindenhardt. Minutieus worden alle gezichten op de drie panelen onder de loep genomen. Kleur speelt een cruciale rol in de beschrijvingen, maar ook de herkenbaarheid van de figuren op het doek. Sebald bezoekt daarna diverse bekende Duitse musea en vergelijkt het werk van Grünewald en passant met de doeken van o.a. Dürer en Holbein. Bij elke schildering kijkt hij terug op een verhaal/de geschiedenis van die tijd.

(…) ‘Lang is zoals bekend de traditie van de Jodenvervolging, ook in de stad Frankfurt am Main. Rond 1240 moeten er volgens de kronieken 173 deels zijn doodgeslagen, deels een vrijwillige dood in de vlammen zijn gestorven. In het jaar 1349 richtten de geselbroeders een groot bloedbad aan in de joodse wijk. Opnieuw zeggen de kronieken dat de Joden zichzelf verbrandden en dat je naar de vuurzee vanaf de heuvel van de kathedraal tot Sachenhausen kon kijken.’ (…)

In Hoofdstuk III beschrijft hij de ontmoeting met prachtige Joodse Anna Enchin, die in het getto woonde. Toen Grünewald op 17 december 1512 vlak bij de kathedraal voor drieëntwintig gulden en twaalf schilling een huis kocht, had hij, zoals het protocol vermeldt, die getaufte Annen reeds als vrouw. De veel bewonderde jonge proseliete, een ware aanwinst voor de christelijke gemeenschap van Frankfurt, die haar al bij de doop met geschenken had overlanden, had Grünewalds geluk kunnen worden. Dat het anders is gelopen (…)’.

 

I-XXI En ging ik wonen aan het uiterste der zee

In deze vertelling staat het leven van de botanicus Steller centraal.

‘De uit Windsheim in Franken afkomstige Georg Wilhelm Steller stuitte in de loop van zijn studie aan de Universiteit van Halle herhaaldelijk op berichten in de officiële nieuwsbladen, dat de Russische tsarina aanstalten maakte om in het kader van de uitbreiding van haar rijk een expeditie van nog nooit vertoonde omvang onder het opperbevel van Vitus Bering, wiens hoofd zo’n tweeënhalve eeuw later tot onze ontzetting nog een keer in de literatuur opduikt’ (…).

(…) ‘Als deze reis U welgevallig is, wees dan onze kracht op ons pad, sprak hij bij zichzelf, wees troost onderweg, schaduw in de hitte van de middag, licht in de duisternis, beschutting tegen vorst en regen, wagen in het uur van de vermoeidheid, hulp in de nood, opdat wij onder Uw leiding veilig daar aankomen waarheen wij getrokken worden: draagt Gij de zorg, o Heer, opdat de sterren zich gunstig boven ons scharen.

Manuscripten aan het eind van zijn leven, geschreven op een eiland in de IJszee met een krassende ganzenveer en gallige inkt, lijsten van tweehonderdelf verschillende planten, verhalen over witte raven, wonderlijke kormoraans en zeekoeien, verzameld in het stof van een eindeloos archief, zijn zoölogisch meesterwerk, de bestiis marinis, een reisprogramma voor jagers, een leidraad bij het tellen van de vachten, nee, niet hoog genoeg was het noorden.’ (…)

 

I-VII De duist ’re nacht vaart uit

‘Wat moeilijk te ontdekken zijn ze, de gevleugelde vertebraten uit de oertijd, ingebed tussen leisteenplaten. Maar ik zie de nervatuur van het voorbije beeld voor mij, dan denk ik altijd dat dit iets met waarheid te maken heeft. Het brein werkt immers voortdurend met sporen van zelforganisatie, hoe zwak soms ook, en af en toe ontstaat daaruit een orde, hier en daar fraai en geruststellend, maar ook wreder dan de voorafgaande staat van onwetendheid. Hoe ver moet je eigenlijk teruggaan om het begin te vinden? Misschien tot die ochtend van 9 januari 1905, toen grootvader en grootmoeder in de snijdende kou in een open koets van Kloster Lechfeld naar Obermeitingen reden om te trouwen. Grootmoeder in haar tafzijden jurk met een boeket van papieren bloemen, grootvader in zijn uniform, de met messing beslagen helm op zijn hoofd. Wat hebben ze gedacht toen ze, de paardendeken over de benen, in het voertuig naast elkaar zaten en de hoefslag hoorden weerklinken in de kale allee. Wat hebben later de kinderen gedacht, van wie er één op een klassenfoto, in het oorlogsjaar 1917 in Allarzried gemaakt, angstig de wereld in staart.’ (…)

Later in Suffolk:

‘Is this the promis’d end? Oh, you are men of stones.

Wat dood is, dat

blijft dood.  Uit liefde

komt het leven. Ik weet niet
wie mij zegt wat, hoe,

waar, wanneer. Is nu

de liefde niets? alles?

water? vuur? goed?

kwaad? leven? dood?

 

© els van dinteren

Gevaren

In de rubriek diversen van de plaatselijke krant stond hij omschreven als redelijk groot, uit goed hout gesneden, zonder al te veel beschadigingen en voor diverse doeleinden te gebruiken. Overal was hij geweest, het had hem wijzer en vermoeider gemaakt. Hij was af te halen tegen een zeer kleine vergoeding, liefst zo snel mogelijk.

Ik belde het telefoonnummer uit de advertentie en kreeg een aardige, zacht sprekende man aan de lijn. Misschien was hij niet gewend te telefoneren, of leed hij aan een overdosis verlegenheid. Hij stelde zich voor en binnen enkele minuten werd er een afspraak gemaakt. Gezamenlijk kwamen we een redelijk bedrag overeen. De man was inschikkelijk en blij met de overeengekomen prijs. De volgende dag reed ik met mijn kleine vrachtautootje naar het volgende dorp en vond zonder al te veel zoeken het opgegeven adres. Het huis lag aan een kleine weg met zeer oude eiken. Links en rechts zag ik enkele bungalows en aan het eind van de laan stonden een paar oude, statige huizen. De omgeving ademde een zekere welvaart: vroeger zou je het ‘wonen op stand’ noemen. Ik liep het tuinpad op, belde aan en hoorde het geluid van een dingdong. Merkwaardig en voor mijn gevoel niet in overeenstemming met de statigheid van het huis. Een dergelijk huis behoort een koperen bel te hebben, die zijn weerklank geeft op een marmeren vloer in de gang.

Voorzichtig ging de zware voordeur open en daar stond een man van rond de zestig jaar in een kleurloos pak met een gebreide spencer onder zijn oude colbert. Hij nodigde mij vriendelijk maar aarzelend uit binnen te komen en gaf me een stevige hand.
Op hetzelfde moment verscheen een kleine vrouw achter in de hal, die de man op onaangename toon aansprak. ‘Je kunt het toch ook wel dáár afhandelen’. De man schrok even maar hernam zich snel. Ik moest goed luisteren om hem te kunnen verstaan. Later zou me dat zeer verbazen.
Hij wuifde haar weg en ze verdween vanwaar ze gekomen was. We bleven samen bij de deur staan. De uitnodiging om binnen te komen was na dit korte incident vervallen. Nu vertelde hij rustig wat de aanleiding voor de advertentie was en zei dat hij blij was dat ik zo snel gereageerd had. Het was een moeilijk moment voor hem, begreep ik. ‘Ik heb mijn hele leven over de wereldzeeën gevaren, ik ken de continenten. Sinds kort ben ik aan wal gekomen vanwege mijn pensionering, waar ik lang naar uitgekeken heb. Toen ik na al die jaren thuiskwam met mijn bagage was het moeilijk een plek te zoeken voor alle herinneringen. Je zou zeggen het huis is groot genoeg, maar daar gaat het niet om. Het gaat niet om ruimte, maar om het gevoel voet aan wal te zetten’.

Hij nam de tijd om één en ander uit te leggen en zijn zachte stem werd krachtiger naarmate hij steeds uitvoeriger verhaalde over zijn ervaringen. Met veel plezier beschreef hij het Verre Oosten. Vooral deze reizen hadden hem een mooi en enerverend leven bezorgd. De laatste jaren was hij kapitein geweest op een groot vrachtschip, dat onderweg naar verdere oorden het oosten van Afrika frequent had aangedaan. Hij noemde zijn bezoeken aan Zanzibar, de grootste producent van kruidnagel ter wereld. Ik kon hem gerichte vragen stellen omdat ik jaren geleden het eiland had bezocht toen ik in Tanzania was voor een project. We spraken over de aangename geur van kruidnagel, het tropische goud, en over piment, foelie, muskaatnoot, over peper en de veelheid aan exotische vruchten. En natuurlijk over de plaatselijke bevolking, die met geurige pilav-piramides toeristen verleidde ervan te komen proeven. Zo reisden we samen over het eiland, de kapitein en ik. Hij herinnerde zich de verraderlijke golfslag tussen het vaste land en het eiland, die vooral voor kleinere boten gevaar opleverde, niet voor het grote schip waarop hij de scepter zwaaide. Voor de onstuimige kust vergingen geregeld vissersboten. Even later kwam het gesprek op het mooie badhuis van Sheherazade, gelegen op een verlaten plek midden op het eiland. Zeven witgekalkte koepels achter elkaar in een sprookjesachtige omgeving met verschillende inheemse bomen.
Mr. Mito, een oude eilandbewoner, had mij en later de kapitein erheen gebracht in zijn verroeste Peugeot. Voor een paar dollar, inclusief zijn smeuïge verhalen. Daar in die paradijselijke omgeving zagen we ook de zeldzame miljoenenpoot. De kapitein vertelde dat hij zich daar bij het kleine elegante badhuis had voorgenomen de verhalen van Duizend en een Nacht te gaan lezen. Hij wist nu in welke feeërieke omgeving Sheherazade had gebaad. Hij nam haar en het kleine badhuis in zijn herinnering mee naar huis.

Midden in onze reis kwam zijn vrouw weer tevoorschijn en deelde hem op dwingende toon mee dat ze straks samen boodschappen moesten gaan doen. Hij liet zich deze keer niet door haar afleiden en ging onverstoorbaar verder: ‘Het dierbaarste bezit dat ik mee terugbracht is mijn kist. De grote houten kist, waarin een belangrijk deel van mijn leven zit. Niet alleen kleren: het uniform met gouden strepen en epauletten, maar ook alle afscheidsgeschenken, een aantal souvenirs, maar vooral herinneringen en geuren uit andere werelddelen. Ik hoopte de kist rustig uit te pakken en de herinneringen een plaats te geven ons mijn huis.’
De kist stond in de hal en ik zag tot mijn verbazing dat het een hele grote was. Zijn functie was –net zoals die van hem- niet meer actueel. De kist moest ook met pensioen en weg uit het huis! Dat had zijn vrouw zo besloten. ‘Nee, die kist wil ik niet in de hal’, was haar standvastige commentaar geweest, zo vertelde de kapitein.
Op het moment dat we naar de kist wilden lopen om hem te verslepen, voegde zijn vrouw zich opnieuw bij ons. Ze had een blauw vestje aangetrokken. Hij stelde haar aan mij voor: ‘Dit is mijn vrouw Nel, zij is kapitein op het schip waarop ik sinds een paar weken woon.’ Ik gaf haar een hand en voelde dat die koud was. Haar gezicht vertoonde verbeten trekken. Om de situatie aangenamer te maken moest ik iets vriendelijks tegen haar zeggen. ‘U woont in een prachtig huis, omgeven met mooie oude eiken en ook zo heerlijk rustig.’ Dat kon haar niet zoveel schelen. Ze drukte haar man voorzichtig weg. Nu stond ze naast mij en wilde -zo te zien- haar kant van het verhaal vertellen.
‘Ja, hij kan mooie verhalen ophangen over wat er onderweg allemaal gebeurd is, maar wat zich hier thuis afspeelde is hem in al die jaren totaal ontgaan. Zelfs de geboorte van zijn drie kinderen heeft hij niet meegemaakt. Dan zat hij ergens achter Japan of nog verder, maar ik zat hier en moest het maar in m’n eentje zien te rooien. Hij zag de kinderen pas toen ze al konden lopen. Nu zijn ze gelukkig groot en ze hebben een eigen leven, er zijn al twee kleinkinderen. We hebben een hechte band. Maar sinds een paar weken is er een grote verandering in gekomen nu hij iedere dag aandacht opeist. Hij speelt de baas, dat is hij zo gewend op zijn schip. Orders en controles. Twee kapiteins op één schip, zo ben ik het gaan noemen. Ik wil zo veel mogelijk van die rommel van hem bevrijd worden, vooral die kist met al die onbegrijpelijke zaken. Ja, een prachtige antieke kimono heb ik van hem gekregen en nog meer van die oosterse zaken, maar daar zat ik niet op te wachten. Ik ben zijn geisha niet. Die kist is nu leeg, maar ík weet welke verhalen er in rondhuizen. Als u zou weten wat ík heb meegemaakt …’
Ik keek even naar hem. Hij verschrompelde en boog zich voorover. Zijn grijze pak hing om hem heen als een afgedankt kostuum om een verwaaide vogelverschrikker. Een pak zonder gouden biezen, tressen en ander fraai materiaal dat macht en zelfbewustzijn uitstraalt.

Om een eind te maken aan de penibele situatie stelde ik voor de kist te gaan verslepen. Hij nam het rechterhandvat en ik het linker. Nel waarschuwde dat we de kist niet over de vloer mochten schuiven, het zou de tegels beschadigen. Onder haar toeziend oog, tilden we het gevaarte zo goed en zo kwaad als het ging naar buiten. De volgende klus was de kist in mijn auto te hijsen. Dat ging met veel moeite.
‘Hoe moet je hem er thuis uitkrijgen?’ vroeg de kapitein. Ik zei dat ik iemand zou vragen mij te helpen. Hij stelde voor mee te gaan, als ik hem daarna wel weer terug zou brengen. Voor ik het wist had ik én de kist én de kapitein in de auto. Terwijl ik de motor startte, hoorde ik Nel roepen: ‘Je mag hem houden, hoor!’
We reden rustig naar mijn boshuis. Al rijdend gaf ik hem het bedrag dat overeengekomen was tijdens ons telefoongesprek. In het bos aangekomen, droegen we de kist voorzichtig mijn huis binnen. Vanaf nu zou de kist fungeren als opbergruimte voor míjn souvenirs en herinneringen.
Toen de kapitein in het huisje stond en de omgeving in zich had opgenomen, zei hij: ‘Ik ben zeer tevreden met de nieuwe plek waar mijn kist gaat wonen. Hij had het niet beter kunnen treffen.’ Hij nam het geld, dat ik hem eerder had gegeven, uit zijn zak en gaf het mij met een vriendelijk gebaar terug. ‘Eigenlijk moet ik ú betalen, mijn kist is met vakantie in uw boshuis! Zoiets heeft hij nog niet eerder meegemaakt: kalm wonen in een bos, ver weg van de einder en de rusteloze zee.’
Ik bracht de kapitein terug naar Nel en beloofde dat ik zijn kist met alle egards zou behandelen en dat, als hij behoefte had verhalen te vertellen, hij altijd welkom was. We wisselden adressen en telefoonnummers uit. Ik deed nog een poging de moeilijke situatie van zijn vrouw aan hem duidelijk te maken. Of dat iets heeft uitgehaald weet ik niet. Zijn enige reactie was: ‘Het leven blijft leren, zeker als je ouder wordt.’

Ik vulde mijn nieuwe bezit met zijden- en linnenlappen uit India en met twee dierbare Sole Mio dekens. De witte hangmat uit Brazilië, een doos met bijzondere tropische schelpen, gevonden op het strand van Zanzibar kregen ook een nieuwe bestemming. Bovenop legde ik een klein zakje kruidnagel en een paar kaneelstokken voor de geur, en een potje tropisch zand uit Bagamoyo. Een houten gelukbeeldje uit West-Afrika legde ik tussen de dekens.
Dat weekend kwamen vrienden op bezoek. De kist kwam natuurlijk direct ter sprake. Zij stelden voor om er voorlopig mijn nieuwe bed van te maken. Gezien de lengte zou ik er gemakkelijk in passen. Omdat de andere bedden door hen werden bezet, besloot ik voor een paar nachten gebruik te maken van de kist. Die nacht sliep ik op een donzen kussen tussen de dekens in de grote kist. Het deksel bleef natuurlijk openstaan.

Mijn nieuwe bed was comfortabel en ik droomde van verre stranden. Een grote vis stak zijn kop op en kwam mij halen voor een tropische rondvaart. Ik groette hem vriendelijk en nam als vanzelfsprekend plaats op zijn brede rug. Hij was in bezit van kleine stijgbeugels en in zijn bek had hij een bit met daaraan dunne teugels. Hij zwom rustig door de warme wateren rond een eiland en keek af en toe achterom of ik het nog naar m’n zin had. Als hij te snel ging probeerde ik aan de teugels te trekken, maar hij ging gewoon zijn eigen gang. Ik gaf me al snel aan hem over. Hij wist tenslotte de weg en ik vertrouwde hem volkomen.

 

© els van dinteren

Hoofdzaken

Vanmorgen vroeg deed ik boodschappen. Naast de dagelijkse benodigdheden pakte ik twee versgebakken kersenvlaaitjes uit het vers-schap. In de winkel werd zorgvuldig gelopen, er werd rekening gehouden met route en afstand. Hier en daar groette men elkaar zelfs vanachter de mondkapjes. Na gedane zaken ging ik snel naar huis, pakte alles uit en maakte een sterke koffie met kersenvlaaitje.

Ik herinner me de jaren vijftig. De dagelijkse thuiskomst van mijn vader, met de bus omdat hij beslist geen auto wilde. Dat zou een hele grote auto moeten zijn waar we allemaal zouden passen. Dus geen auto; er werd gereisd met het openbaar vervoer. Bij thuiskomst doken wij vaak als nieuwsgierige kinderen op zijn grote lederen tas. Daarin vonden we altijd wel iets verrassends. Soms gewoon een schijfblok met zijn vulpen, wat krabbels of tekeningen van wat hij tijdens zijn werk had ontdekt, of mooie stoffen die hij kocht bij een weverij of fabriek waar hij die dag werkte. Maar soms ook gewoon een boterham, waar hij die dag niet aan toegekomen was. Als hij in het zuiden van het land was geweest vonden we vaak een zak vol heerlijke vlaaitjes. Genoeg voor iedereen. Soms uit de lokale bakkerswinkel, maar meestal gekocht op het NS-perron van Eindhoven of Breda, bij de man die met zijn witte karretje langs de trein liep. Die met kersen hadden onze voorkeur!

Er werd gedeeld en gesmuld en binnen de kortste tijd was alles weer verdwenen: de herinnering bleef. Een moment van kindergeluk.

Vandaag eenenveertig jaar geleden brachten we hem naar zijn laatste rustplaats. Na de kerkdienst volgde een rit naar het crematorium, waarover de dorpspastoor overigens bezwaar had gemaakt, maar mijn moeder had haar rug had rechtgehouden!  Tot stof….

Is het niet merkwaardig dat de smaak van een eenvoudig kersenvlaaitje een diepe herinnering uit een lang vervlogen tijd kan oproepen en je plotseling weer kind kan maken? Onderdeel van een groot gezin, waarvan niet alle leden meer op deze aarde verkeren? De zoetzure kersensmaak is nog exact dezelfde. Het brein doet haar werk, hopelijk nog lang en alstublieft vooral helder.

 

© els van dinteren

 

 

 

‘de ziel moet altijd op een kier’

Marlene Dumas

 

‘de ziel moet altijd op een kier’

Emily Dickinson

 

waarom vroeg je mij…

 

heb je van haar gehoord of zeker wel gelezen

de gedichten die ze schreef

de kleine kamer waarin ze leefde

dag en nacht gekleed in de sobere

witte jurk   wilde daarmee bewijzen

maagd te zijn en dat te blijven

 

over kracht en humor, haar lichte spot

vertelde van de mens die ertoe deed

van aarde, religie, haar gecreëerde god

over afscheid haar troostend gedicht

‘als iemands vriend gestorven is…

verdriet, dat is het merg van leed’

 

© els van dinteren

 

 

Een bijzonder concert

Vanmorgen vroeg, geheel onverwacht, kreeg ik een prachtig concert aangeboden. Hoe deze twee heren zijn binnengekomen is me een raadsel, maar ze waren er. De één in een slof oud jasje, uitgevoerd in karakteristieke Engelse visgraat, inclusief suède elleboogstukken in een afwijkende kleur en een oude broek die er niet helemaal bijpaste, maar die hem waarschijnlijk erg lekker zat. Ik herkende hem aan zijn aimabele gezicht en zijn wat dikkige handen, waarmee hij ongeëvenaard zijn statige Steinway-klavier streelt. De ander was een mooie glimlachende jongere man: vriendelijk, met brilletje, innemend licht getint Aziatisch gezicht, zeer goed in het pak, met daaronder -gek genoeg- een paar zware bemodderde bergschoenen. Waarom dat was is me onduidelijk gebleven. Onder zijn arm droeg hij zijn eeuwenoude cello. Hoe de vleugel bovengekomen is: ik weet het niet. Het ging in ieder geval zeer geruisloos. Er werd even kort gestemd en daarna gingen de heren los. Ik herkende de muziek direct: Rachmaninov, Sonate op.19 voor cello en piano.

Het stuk duurde niet al te lang, ik floot af en toe een stukje mee. Zij vonden dat helemaal niet erg -ik fluit overigens heel zuiver- maar wel zacht genoeg om in trance te blijven en te genieten van de prachtige heldere klanken, die zonder enig probleem door mijn slaapkamer hun weg vonden. Er werd met passie gemusiceerd alsof het leven van beide heren ervan afhing. Gefocust, heftig en met veel plezier!  Af en toe keken ze elkaar even aan en genoten zelf ook optimaal van hun eigen prestaties. Na de laatste zachte tonen was het even stil. Daarna applaudisseerde ik kort en vroeg of ik nog iets voor de heren kon betekenen.

“Ja, graag een kleine espresso”, zei Emanuel Ax zachtjes. Hij keek zo beminnelijk, dat ik onmiddellijk naast mijn bed stond om naar het espressoapparaat te lopen. Godzijdank had ik mijn oude lange jurk aan, die van Wenen rond 1966. Yo-Yo wilde graag een dubbele. Die kon hij natuurlijk krijgen!

Na de espresso’s vouwde Emanuel zijn vleugel in vier gelijke stukken, zoals je een ouderwetse echte krant opvouwt, en stak ‘m met een elegante zwaai onder zijn arm. Yo-Yo pakte zijn oeroude cello voorzichtig in en gaf als toegift nog een handkus. Samen verdwenen ze glimlachend en geruisloos via de trap en de woonkamer naar buiten. Ik heb het sluiten van de voordeur niet meer gehoord.

Inmiddels is de koorts gezakt en de keelpijn wordt rustiger.

 

© els van dinteren

 

Karper

Verlegen stond hij aan de deur; ik had hem verwacht, maar nu nog niet. De rouw stond nog in zijn ogen, zijn tranen waren nog niet gedroogd en de stevigheid die ik van hem kende was nog niet teruggekeerd in zijn grote stramme lijf.

‘Ik wil je’….sprak hij….’vragen…of je samen met mij….’

Ik maakte koffie met een glas benedictine en informeerde hoe het met hem ging. Hij maakte een verwarde indruk en had zich waarschijnlijk moed ingedronken. De koffie met likeur viel in goede aarde. Eerst werd er omheen gepraat, maar het hoge woord kwam er snel uit: hij was alleen en dacht dat ik…

ik was toch ook… en zou hem…en natuurlijk ook mezelf ….ons beiden dus eigenlijk…vroeger konden we toch ook goed met elkaar… ja, we hebben veel gelachen en samen mooie dingen gemaakt….en we houden beiden van een goed leven….alleen is ook maar…ja, zij is nu weg…. nu moet ik maar…kijken …

Zij was drie maanden dood en hij was nu op zoek naar een vrouw die hem kon troosten en voor hem kon zorgen. Zijn tegenprestatie was een mooi huis, geld, kunst, reizen en de stroeve vriendelijkheid die hij van-huis-uit had meegekregen.

Nadat de dood plotseling bij haar op bezoek kwam wist ik dat hij zou komen, maar deze haast?

Ik stelde hem voor om voorlopig voor zichzelf te zorgen: alleen zijn, verwerken, leren aanvaarden. Ja het kost tijd, geduld en rust. Daar nam hij geen genoegen mee: hij dacht in andere werkwoorden en wilde snel toeslaan.

‘Ik wil zo graag’…

Moest ik hem nu vertellen over wederkerigheid, zeggen dat ik niet alleen was? Althans niet altijd. Voorzichtig met hem omgaan of de nodige duidelijkheid verschaffen? Ik stelde nog een kop koffie voor om intussen mijn tactiek te bepalen.

Nadat ik had geïnformeerd naar zijn kinderen kwam hij onmiddellijk terug op zijn vraag. Hij is een wat koppige en soms narrige man, niet de ideale eigenschappen om vrouwen te plezieren.

Ik stelde voor om op kerstavond bij mij te dineren. ‘Kerstavond wordt hier gevierd met een uitgebreide maaltijd, waarbij karper belangrijk onderdeel is. Een Midden-Europese oude cultuur.

(Mijn visboer weet dat hij tegen die tijd voor mij moet zorgen).

We luisteren het Weihnachtsoratorium van Bach. Ja, helemaal en af en toe een hapje en liever niet praten.

Daarna ga je weer naar huis of naar je kinderen.

Met Pasen doen we de Mattheus na paasbrood en eieren; later op de dag staat er haas op het menu. Jij mag dan koken, ik weet dat je het heel goed kunt. Als we het dan beiden leuk vinden zouden we met Pinksteren even naar Wenen kunnen gaan om boodschappen te doen en kunst te kijken. Ik laat je de stad zien. Dan ben je voorlopig met de feestdagen onder de pannen.’

Hij voelde hier helemaal niets voor. ‘Ik hou niet van die Bach van jou, en aan karper moet ik al helemaal niet denken, al die graten. Eet je echt zo gek op die feestdagen? Van wie heb je dat geleerd, of bedenk je dat ter plekke? En Wenen heb ik al gezien. Als het aan mij ligt eten we gewoon buiten de deur, een goed verzorgd kerstdiner in ons goeie goed, en ik betaal natuurlijk alles! Maar zo te zien ben je daar niet tevreden mee; je bent wat eigenwijs en verwend, hè?

Jammer dan!

Ik ga maar eens, en smakelijk eten.’

 

© els van dinteren

 

Robert Walser

Robert Walser

We gaan nu aan de zijkant

van de weg staan

met onze rug naar

de samengebonden palen.

 

We kijken niet hoe de weg loopt

door het bos, kalm over de heuvel.

 

We zetten onze hielen tegen elkaar

de tenen van onze gepoetste schoenen

iets uit elkaar.

 

We houden in onze hand

de paraplu en de hoed

want de zon schijnt.

 

De schaduw op de weg

laat de rondingen van de handgreep zien.

 

We zijn een heer, zij het

een ietwat verlopen heer.

 

 

De Dood van Robert Walser

Veertien was ik, onder de kerstboom.

Hij zeven en zeventig.

De kamer rook naar mandarijnen

toen hij, ver weg, in de bergen, ging wandelen

voor de laatste keer zonder overjas.

Ik kende hem niet.

 

Het was niet erg koud

het sneeuwde zachtjes

en de weg lag vrolijk in het verschiet.

Hij stapte stram voorwaarts

zijn vaag-rode stropdas om zijn hals

en zijn hoed stevig op zijn hoofd.

 

En toen hij, ver van Herisau

in Appenzell-Ausserhoden tot stilstand

kwam tegen een hoopje sneeuw

zag hij voor het laatst

de lichte vlokken waaien.

 

Hij dacht misschien

aan de jongen die hij was

die cadeautjes kreeg

en aan zijn moeder.

 

 

Op weg

Maar nu even stilstaan

dwars op het pad, met de rug

naar wat komt.

 

Handen in de zakken

voeten in de sneeuw

kijken naar het bos.

 

Maar dan weer op weg

de bochten nemen.

 

Kom, vooruit, schop

de sneeuw naar voren

Je komt waar je loopt.

 

 

Remco Ekkers, Gedichten

Uit: De Gids. Jaargang 158 (1995)

Heksenzang

Drentse herfst, voorzien van een laaghangende mist, geeft een zacht maar niet onaangenaam gevoel van melancholie. De heide uitgebloeid, bloemen vervallen en blad dat zacht ritselend van de bomen valt. Het bospad kleurt fel oranjebruin. De geur van de houtkachel met stoofpeertjes in port geeft een extra dimensie aan het decor.

Ik lees Macbeth van Shakespeare in een van de vele Nederlandse vertalingen, makkelijk te vinden op Internet. Eerder, veel eerder, zag ik Macbeth als opera van Verdi. Zonder probleem haal ik de beelden tevoorschijn. Nu is het mijn zelfgecreëerde decor, dat minstens eenzelfde sfeer weergeeft. Hooguit zonder geroezemoes van een overvolle concertzaal.

De Verdi-opera Macbeth bevat drie cd’s, opgenomen in Italië in 1969, met in die tijd beroemde operazangers. Om de opera goed te volgen lees ik de korte beschrijving. Nu kan het ‘project’ starten. Ik luister/lees de eerste acte. Af en toe volgt een korte onderbreking om de kachel bij te vullen, koffie te maken en iets te eten. Het geheel duurt ruim twee uur met hoogte- en dieptepunten van vriendschap, liefde, voorspelling, strijd, macht, geweld, verraad, moord en angst. De dramatische zwanenzang, bijna aan het eind: Piëtà, Rispetto, Amore klinkt met een niet te overtreffen diep verdriet. Het oude verhaal staat nog overeind. Ik besluit na afloop even te klappen; blij dat niemand het kan zien.

Luister naar de heksen: ze voorspellen en waarschuwen de machtswellustigen, prinsen en koningen.

Een zelfgecreëerde voorstelling in het boshuis, zonder publiek, in nadagen van Trump, de vleugellamme Uil van Minerva en de hilarische plons van Baudet.

Hoezo gesloten theater? Theater ligt voor het oprapen.

 

© els van dinteren

Echte liefde

Het kwam vooral door het kijken naar de indrukwekkende werken van de kunstenaar Richard Long. Het was zondagmiddag, Schuberts Forellen zwommen door het boshuis, de zon scheen en het stenen kunstwerk in de tuin lag er na regen en wind wat slordig bij. Een eigen kunstwerk, gemaakt naar Richard Long: Een grote ronde plaat van Corten-staal, in het midden één grote steen, omringd door een krans van kleine vuurstenen. Geel en bruin, op een piédestal van hout. Per wandeling werd steeds één steen meegenomen. Zo ontstond na jaren wandelen een volledig kunstwerk.
Ik rangschikte de stenen, verwijderde oud blad en maakte het geheel voorzichtig schoon: bijna eerbiedig. Waar kwam die emotie vandaan? Waarschijnlijk door mijn herinnering, het verval in de natuur en de intense beschrijving van het werk van Richard Long. Zijn kunstwerken ontstaan tijdens zijn wandelingen door het oude Engelse landschap. Ook het lopen ziet hij als een onderdeel van het kunstwerk.

Mijn wandelingen zijn korter. De zanderige wandelpaden in het bos worden regelmatig door landbouwwerktuigen geëgaliseerd, waarbij stenen -vooral vuurstenen- bovenkomen. Er worden kleine vuurstenen gevonden, half of geheel tot werktuigjes geslepen. Er is inmiddels een mooie verzameling ontstaan. Kinderen vragen vaak of ze uit het stenen tijdperk komen: Ja, natuurlijk!

Bijna dagelijks maakten we een wandeling: soms een ‘kleine om’, bij redelijk weer een ‘middelgrote om’, maar hij genoot het meest van een ‘grote om’, waarbij we altijd los van elkaar liepen. De één snel van tred, de ander trager maar niet minder intens. Hij was thuis in de omgeving en sloeg vaak onverwacht even rechts of links af. Dan wachtte hij me op bij een splitsing. Ik liet me door hem nooit van de wijs brengen. Meestal kwamen we op dezelfde tijd weer thuis. Misschien hield hij me wel van een afstand in de gaten. Altijd was ik verrast en blij hem weer te zien: mijn grote blonde liefde.

Op een onstuimige dag raakte ik hem kwijt: hij was eigenwijs en trok zijn eigen pad. Na wat roepen en fluiten kwam er geen reactie. Uren later en heel ongerust zag ik hem bij het huis rondscharrelen. Ik vroeg waar hij geweest was. Hij keek me wat vragend aan. Ik wist toch dat ik op hem rekenen, hij liet me nooit in de steek!

Na veertien (maal zeven) jaar kon hij niet goed meer lopen. Hij had veel plezier had gebracht en mocht beslist niet lijden. Hij merkte dat er iets ging gebeuren en maakte een luid huilend geluid. Het afscheid was heftig maar snel. Er werd in de bostuin een graf gegraven: voorzichtig gewikkeld in het diepblauwe satijnen laken werd hij daar langzaam in gelegd. Er werd gehuild. Hij werd toegedekt met verse humus, mos en zachte bosgrond.

Vandaag maakte ik het kunstwerk met de vuurstenen schoon. Daaronder ligt hij, nu al negen jaar. De emotie is niet veranderd.

Ik durf geen andere hond meer te nemen: veertien jaar, dat haal ik niet.

 

© els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!