l Gedichten – els van dinteren
Close

SCHUBERT  Piano Sonate D. 960 Andante

bij het afscheid van R.

 

de eerste klank komt zonder aarzeling

uit de hemel vallen als de zachte emotie

die me rustig ingetogen laat bewegen

bewogen zit je naast me en fluistert

nee  dit niet  het is te veel

 

jaren later bij dezelfde eerste toon

het gevoel van klein geluk dat kleeft

aan herinnering die niet is vergaan

in alle snelle gewoel

van plaats en tijd

 

 

© els van dinteren

uit: dubbelportret / Doppelporträt
edition Staublau No. 11
herausgegeben von Uta Fleischmann, verlegt bei Isensee Oldenburg

Pinksterongeloof

in de reeks van RK-feesten had Pinksteren een derde plaats

eerst kwam Kerst: de nachtmis met drie verklede heren

onophoudelijk werd er gezongen gewierookt geloofd

met na afloop het nachtelijk ontbijt

daarna gingen we een dagje slapen

 

in het voorjaar Pasen: de Goede Week met bizarre biecht

nieuwe kleren het nachtelijk vuur heilig ontstoken

-over geloven werd niet gesproken-

je geloofde wat je hoorde je geloofde wat je leerde

voor kritische vragen was er geen tijd

gedachten kregen ruimte die je zelf creëerde

veertien was ik en al heel vroegwijs

 

Pinksteren was ander feest: bijna zomer kleurig vol groen

Visite, een vreemde taal: het feest van de Heilige Geest

met in de allergrootste pan de duiven van broer

door vader geplukt door moeder gestoofd en van botten ontdaan

dit leugenachtig pinkster-duivenmaal door haar

liefkozend ‘fazantensoep’ genoemd

 

© els van dinteren

leeftijd

ik was op weg, met spoed had ik het huis verlaten

dacht mezelf kruipend een pad te banen

langs onbekende sporen was ik onderweg

 

van de vroege morgen of late middag

-over nachten wordt hier maar gezwegen-

het traag dagelijks wachten hoe een reis verloopt

verward, vluchtig, vaak van klare taal beroofd

om ergens aan te komen was

vooralsnog geen enkele sprake

 

men hulde mij in nevelmist

 

de traagheid is verstreken

de misthoorn is verruild voor helder zicht

zo creëert lethargie een nieuwe tijd

 

getallen achter me gelaten om totaal verreisd

maar rechtop en zonder schaamte

aan te komen in reële tijd

mijn werkelijke jaren

 

 

© els van dinteren

ALLARDSOOG                     

voor H.N.WERKMAN

 

we lopen het zandpad op

rechts de kale akker iets verder links

de steen met namen

 

een oude man met bloem vertelt hoe het was

die voorjaarsavond terwijl de vogels zongen

en de vijand schier verslagen

 

de tuin in milde geur

van appelbloesem en sering –weet hij nog

het grijze lood dat door de kleuren sneed

 

tien keer heeft hij geteld

verraden    afgevoerd    gedood

 

we lopen terug

achter ons herinnering

de man de steen de namen

 

© els van dinteren

geknot leven

 

 

genoodzaakt terug te reizen kwam

de tijd in hoog tempo los

vlak landschap in luchtige lente

oevers met zacht walsend riet

geknotte wilgen als stille getuigen

 

scheve boosheid als gebalde vuisten

in strenge slagorde langs rustige wegen

takken slordig vergaard gestapeld

afgesneden van de ouderlijke stam

 

om later eigenzinnig tot bloei te komen

in ontelbare zilverdonzige katjes

en vluchtig dansende pollen

onder koele heldere voorjaarszon

 

©  els van dinteren

‘de ziel moet altijd op een kier’

Marlene Dumas

 

‘de ziel moet altijd op een kier’

Emily Dickinson

 

waarom vroeg je mij…

 

heb je van haar gehoord of zeker wel gelezen

de gedichten die ze schreef

de kleine kamer waarin ze leefde

dag en nacht gekleed in de sobere

witte jurk   wilde daarmee bewijzen

maagd te zijn en dat te blijven

 

over kracht en humor, haar lichte spot

vertelde van de mens die ertoe deed

van aarde, religie, haar gecreëerde god

over afscheid haar troostend gedicht

‘als iemands vriend gestorven is…

verdriet, dat is het merg van leed’

 

© els van dinteren

 

 

Robert Walser

Robert Walser

We gaan nu aan de zijkant

van de weg staan

met onze rug naar

de samengebonden palen.

 

We kijken niet hoe de weg loopt

door het bos, kalm over de heuvel.

 

We zetten onze hielen tegen elkaar

de tenen van onze gepoetste schoenen

iets uit elkaar.

 

We houden in onze hand

de paraplu en de hoed

want de zon schijnt.

 

De schaduw op de weg

laat de rondingen van de handgreep zien.

 

We zijn een heer, zij het

een ietwat verlopen heer.

 

 

De Dood van Robert Walser

Veertien was ik, onder de kerstboom.

Hij zeven en zeventig.

De kamer rook naar mandarijnen

toen hij, ver weg, in de bergen, ging wandelen

voor de laatste keer zonder overjas.

Ik kende hem niet.

 

Het was niet erg koud

het sneeuwde zachtjes

en de weg lag vrolijk in het verschiet.

Hij stapte stram voorwaarts

zijn vaag-rode stropdas om zijn hals

en zijn hoed stevig op zijn hoofd.

 

En toen hij, ver van Herisau

in Appenzell-Ausserhoden tot stilstand

kwam tegen een hoopje sneeuw

zag hij voor het laatst

de lichte vlokken waaien.

 

Hij dacht misschien

aan de jongen die hij was

die cadeautjes kreeg

en aan zijn moeder.

 

 

Op weg

Maar nu even stilstaan

dwars op het pad, met de rug

naar wat komt.

 

Handen in de zakken

voeten in de sneeuw

kijken naar het bos.

 

Maar dan weer op weg

de bochten nemen.

 

Kom, vooruit, schop

de sneeuw naar voren

Je komt waar je loopt.

 

 

Remco Ekkers, Gedichten

Uit: De Gids. Jaargang 158 (1995)

PLEGEN

op het moment dat het ongeluk even

om de hoek woont om uit te rusten

of misschien naar een ander werelddeel

vertrokken is om genadeloos toe te slaan

 

besluiten wij het schamele geluk eerlijk

te delen -samen rustig op te stijgen naar

het eenzaam niemandsland- eerzaam

in vol vertrouwen en zonder spijt te vliegen

 

met in de hand een brevet van onvermogen

de landingsbaan ver buiten zicht

 

men noemt dit overspel

 

 

uit: roekeloos ontknoppen, Philip Elchers, Groningen, mei 2015

@ els van dinteren

Weemoed

Het is onze ervaring dat wij

weemoedig worden door dingen die

voorbijgaan –als die niet meer

terugkomen. Oude foto’s

kunnen ons ziekmaken van verlangen

naar wat voorgoed verleden tijd

is geworden. Wat is gebleven

zijn wijzelf. Misschien moet je

de weemoed voorstellen als draden

die ons aan de dingen binden.

Draden die steeds langer en

dunner worden en die bij een bepaalde

gestemdheid beginnen te zingen……

en snijden gaan.

 

Soms zijn wij het

die voorbijgaan, worden we overmand

door weemoed om de dingen die

stil zijn blijven staan.

 

Uit: ’t Komt allemaal goed

© Gerrit Krol, gedichten

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!