l Verhalen – Els van Dinteren
Close

Brief aan meneer P.

Assen, enige tijd geleden

Beste meneer P.

Natuurlijk kennen we elkaar al heel lang. Het is wel vreemd dat ik altijd naar u kom -of mag ik nu eindelijk jij zeggen? –  en dat er nooit een tegenbezoek is geweest. Misschien hoort dat ook niet. De vraag of het wel of niet hoort heeft nooit gespeeld in onze langdurige relatie. Vandaag, bij mijn bezoek telden we even de jaren: het zijn er wel dertig. Het gaat niet om vriendschap of een band tussen goede bekenden, maar om een relatie tussen tandarts en patiënt. Jij staat terwijl je je werk doet en ik lig er plomp verloren bij, niet van harte moet ik je helaas bekennen, beste meneer P. Er was een tijd dat ik iets minder gevoelig was, wat betreft de pijn; de laatste jaren zijn gevoeliger geworden. Dat neemt niet weg dat er ook altijd een aardige opmerking gemaakt werd en je me af en toe gerust kon stellen. Terughoudend dat wel, maar meestal heel vriendelijk of zelfs grappig.

Het was een aangename en vertrouwde relatie, zonder dat er ooit een therapeut aan te pas hoefde te komen. Wel bleef ik al die jaren bang voor je. Maar daar hebt je vast niet onder geleden.

Begin jaren negentig, ik was bij je ‘op bezoek’ en ging -zoals gebruikelijk- in de horizontale positie. Het was de jaarlijkse controle en er werd rustig gesproken, vooral door jou. Ik lag met mijn mond open toen je plotseling vroeg: “En…waar gaan we heen met vakantie?” Lieve meneer P. je kunt je misschien voorstellen, ik was nog redelijk jong (jij ook) en in de bloei van alles wat er te bloeien viel. Wie stelt je nou zo’n vraag? Jij! Natuurlijk had ik mijn antwoord klaar, ware het niet dat je mijn mond openhield en vervolgens de praktijk van boren, vullen en plamuren in werking zette. Ik dacht nog: “Dat mag jij zeggen, ik volg je wel”, maar zover is het nooit gekomen. Bij het volgende bezoek wisselden we onze vakantie-ervaringen kort uit. We hadden het beiden erg plezierig gehad.

Vandaag namen we afscheid. Je keek nog een keer zorgvuldig en vroeg iets over mijn ‘pijnbeleving’. Ik reageerde: ‘Mooi woord pijnbeleving’. Die beleving viel mee. Je zei dat het met de stand van zaken nog wel een tijdje goed zal gaan. Een geruststellende gedachte.

Nu ga ik op zoek naar een nieuwe meneer P.  Dat wordt een hele klus! Je kunt niet overal zo vertrouwd horizontaal gaan…

 

© Els M.M. van Dinteren

MANTELZORG

We zijn in de stad van werkers met opgestroopte mouwen. Het is een mooie vrijdagmiddag rond half twee. Plaats: het intieme bibliotheektheater, even voor aanvang van de conferentie Vrouw en Werk. Buiten is het voorjaarsweer, de meeste gasten komen binnen zonder jas, een enkeling draagt er een over de arm. Ook deze man in zijn keurig verzorgde grijze krijtstreepje. Hij stapt resoluut op een groepje mannen af; ze blijken elkaar te kennen. De conversatie stopt even, ze begroeten elkaar hartelijk en de krijtstreep geeft al pratend -zonder op of om te kijken- zijn jas af aan een gekleurde vrouw van middelbare leeftijd. Zij staat iets verderop naast de garderobe. De vrouw neemt de jas aan en hangt hem keurig op een knaapje achter de balie, waar nog niet veel jassen hangen.

Binnen is het aangenaam: de zaal is druk bevolkt met veel vrouwen en enkele mannen. Het is tijd: ik heet iedereen welkom en kondig het begin van de conferentie aan, geef een korte inhoud van het programma en wijs de aanwezigen en passant op de schilderijen en tekeningen aan de wand, door vrouwen gemaakt. ‘Ze zijn mooi en te koop; het geld wordt besteed aan een op te richten kinderkunstproject, dus sla uw slag! Het is originele mooie, niet dure internationale kunst!’

De wethouder Sociale Zaken, ons project zeer goed gezind, houdt een korte inleiding en spreekt zijn zorg uit over oplopende aantallen en krimpende financiën, maar is ook optimistisch: er zijn veel aanmeldingen voor diverse cursussen. Daarnaast hebben instellingen en bedrijven werk- en stageplaatsen aangeboden. Hij hoopt dat het aantal vrouwen met een uitkering de komende jaren zal afnemen. Ik dank hem voor zijn positieve bijdrage en voor de goede samenwerking.

Het is nu tijd voor de hoogleraar vrouwenstudies. Zij loopt rustig naar voren en neemt plaats achter het spreekgestoelte en kijkt aandachtig de zaal rond. Haar verhaal is glashelder en doorspekt met voorbeelden over sterke vrouwen in deze actieve stad met meer dan honderd verschillende culturen. Ze bepleit met verve de thema’s leren, werken en kinderopvang. Mantelzorg ziet ze als een groot goed. Dan pakt ze plotseling haar tas die naast haar staat, neemt er iets uit en richt haar blik weer op de zaal en vervolgt haar interessante verhaal.

Na afloop van haar inleiding steekt ze haar hand op en geeft een terloopse toevoeging: ‘Wil de heer in het grijze gestreepte pak straks het nummertje van zijn jas bij mij ophalen? Het is nummer elf. Helaas kan ik u de jas niet aanreiken, meneer. Ik moet naar mijn volgende afspraak. Er wacht een groep jonge studenten op me. Dat vindt u toch niet erg, hè? Volgende keer beter.

Ik dank u allen voor uw aandacht.’

—————————————————————–

Leestip: Rebecca Solnit, Men Explain Things to Me (2014) en het artikel in de Groene van 3 maart 2016 van Joost de Vries ‘Sommige mannen kùnnen niet eens fluiten’ en Marja Pruis ‘Grote goedheid uw naam is vrouw’.

 

© els van dinteren

Uitgesteld genoegen

Stairs – Rein Jansma

Het was in de eerste helft van de 80er jaren: een demonstratie tegen kernraketten in Den Haag. Samen met mijn toenmalige geliefde liep ik mee, van harte en zonder spijt. We waren met duizenden en zagen de urgentie van protest tegen de Staat. Wat er in ons land al aan oorlogstuig stond moest onmiddellijk vernietigd worden. Er is maar deels naar ons geluisterd.

De karavaan met duizenden betogers trok over de Denneweg, langs onze lievelingsboekhandel Ulysses. We liepen aan de zijkant en konden de groep zonder problemen verlaten. Binnen in de boekhandel wachtte zonder protest de verleiding en gretigheid. Ik kocht een boek: een bijzonder exemplaar zonder woorden. Mijn toenmalige kocht wat Russen en bij de buren nog een zilveren boekenlegger; weliswaar voor zijn eigen boeken.

Maanden later werden we beiden uitgenodigd bij een verzamelaar van -wat later bleek 3D- boeken. Hij was hoofdredacteur bij een provinciale krant en had een zeer gevulde boekenkast. Mijn toenmalige vertelde over mijn aankoop op de Denneweg: het boek Stairs van Rein Jansma. Een boek met 10 uitgesneden uitklapbare trappen, in diverse modellen. Van enkelvoudige trappen tot ingewikkelde trappenhuizen, met of zonder tussenplateaus. Een waar kunstwerk.
Hoe het gelopen is weet ik niet meer, maar het boek is uit mijn boekenkast verhuisd naar de zijne. Daarna heb ik het boek en de verzamelaar nooit meer teruggezien. Wel bleef het boekbeeld mij helder voor ogen. Het was uitgegeven in een gelimiteerde oplage en heel lang niet meer te verkrijgen.

Deze week vond ik op internet bij toeval Stairs van Rein Jansma, geproduceerd door Joost Elffers voor een aannemelijk bedrag, te koop bij een antiquariaat in het Noorden van het land. Ik heb het boek onmiddellijk besteld; vandaag is het aangekomen. De bode van DHL bracht het boven en beklaagde zich voorzichtig over de trappen die hij moest slechten voor hij mijn bel had bereikt. Ik vertelde dat de trappen vooral ten goede kwamen aan mijn conditie. Van beneden tot boven aan mijn dakterras neem ik dagelijks 46 treden, heen en weer en soms meerdere keren.

Met een zekere nieuwsgierigheid heb ik het pakje ontmanteld. Dit boek leek groter dan mijn eerdere editie, die wat kleiner was en met een eenvoudig kartonnen omslag. Deze is luxer met een in beige linnen gevatte omslag, voorzien van een diepliggende preeg met namen. Een mooie blinddruk. Maar de binnenkant is van dezelfde eenvoudige schoonheid als het eerste exemplaar.

Deze blijft voorlopig op mijn boekentafel en later in de boekenkast. Een fascinerend pronkstukje, eindelijk terug waar het ooit eerder was.

© els van dinteren 16.10.20

Omstandigheden

De tuindeuren zijn opengeslagen; er drijft een zachte vroege herfstlucht binnen. Het is de lichte geur van late zomerbloemen vermengd met reuk van paddenstoel en vochtig gevallen eikenblad.

Op hetzelfde moment geeft radio 4 ‘As Steals the Morning’ van Haendel, brommend gehinderd door het espressoapparaat. Het kleine huis is gevuld met zaken waarin ik nauwelijks de hand heb: de regie komt van elders. Er is sprake van omstandigheden die ertoe doen. Naast werktuigelijk voert zintuigelijk de overhand. Niet veel later volgt het onderdeel feestelijk zingen, eten, drinken en vertellen, met hartigheid en zoetigheid in samenhang met aangename vriendschappelijke aanwezigheid.

Als na uren van activiteit vermoeidheid de kop op steekt en alles weer zijn oude plek heeft ingenomen, volgt een ander verkwikkend bad.

Vroeg in de morgen, nog pikdonker en heel onverwacht, klinkt Schubert Pianosonate D. 960, Andante, zoals het ooit eerder uit de hemel kwam vallen. Herinnering en tevredenheid brengen me nog even in diepe slaap. Na het ontbijt met restjes van de dag ervoor wacht de krant met nieuws van het ongefilterde buitenleven.

Nu niet aarzelen….hup! erin!

© els van dinteren 26.09.2020

 

 

 

Metamorfose

 

Vanmorgen heeft mama er echt helemaal niets over gezegd. Zij is heel grappig en zit altijd vol leuke verrassingen. Het is half één en ze staat bij het schoolhek op ons te wachten. De bushalte is voor ons huis, maar daar vertrekken we niet. ‘We nemen de volgende halte’, zegt mama. Onze vriendinnen mogen niet mee: we gaan met de bus naar Utrecht. Mama heeft haar mooie jas aan en haar lichte nieuwe hoed op. Mijn zusje en ik lopen ieder aan een hand. Onderweg vertelt ze dat we naar meneer Streumer gaan, onze kapper in Utrecht. Hij gaat onze vlechten bekijken. De kapsalon is aan de Oude Gracht naast de bioscoop. Boven woont tante Netty, de vriendin van mama. Zij is kapster. Het ruikt er heel erg naar parfum, zeep en ook naar verbrande haren. Daar zijn rare tangen voor watergolf bij oude vrouwen en hele vieze shampoo voor permanent-krullen. Mijn zusje en ik hebben zelf krullen, van papa en mama gekregen. Onze krullen zijn verstopt in dikke vlechten met grote strikken.

Mama zet mij op de hoge kappersstoel en haalt mijn vlechten voorzichtig uit elkaar. In de spiegel zie ik meneer Streumer met zijn gemene lach, terwijl hij mijn lange haren zachtjes streelt. Hij is een hele erge enge man! Mama staat erbij en kijkt ernaar en houdt mijn zusje vast. Dan pakt hij zijn schaar en knipt steeds heel voorzichtig een handje vol van mijn haar af en legt het in een langwerpig doosje met wit vloeipapier. Ik roep nog: ‘Nee mama, dit wil ik niet!’ Maar mama vertelt ons dat het haar te veel wordt, iedere morgen dat kammen en vlechten maken. Korte kopjes zijn in de mode!

In heel weinig tijd word ik anders. Hetzelfde overkomt mijn zusje: ook een kort kopje.  Nu zijn er twee doosjes met onze lange haren. Daarvoor heeft hij vijftien gulden per doosje in mama’s hand gedrukt. Wij krijgen van hem ieder een gulden voor een ijsje bij Venezia. Van tante Netty krijgen we snoep en complimenten: ‘Oh, wat zijn jullie mooie meisjes, nu zijn jullie groot!’

Wat zal papa ervan zeggen als hij straks thuiskomt van zijn werk? Misschien krijgt mama wel ruzie.

We eten een heel lekker ijsje met slagroom en krijgen ook nog een nieuw jurk. In de bus naar huis is het heel stil. Mama is heel moe en wij ook. Misschien ga ik straks wel huilen. Ik voel af en toe aan mijn korte haar en ik weet dat het zal groeien, dat er weer vlechten komen. Maar dat duurt heel lang. Dat is pas als ik oud ben: misschien wel twaalf jaar.

Papa kijkt verbaasd en trots naar ons. Hij vraagt mama: ‘Waar zijn de vlechten gebleven?’ ‘In twee doosjes bij Streumer…voor pruiken’.  Papa zegt: ‘Geen sprake van. We halen het haar terug en die jurken hebben ze gewoon van ons gekregen!’

De volgende dag gaat mama weer naar de stad om de doosjes op te halen. Thuis verdwijnen ze in de kast, hoog achter het serviesgoed. Daar blijven ze heel lang liggen tot de kamer en suite wordt doorgebroken en de kasten met een deel van de inhoud verdwijnen.

© els van dinteren 200920

Naar aanleiding van Onvoltooide Liefdesbrieven (Michaïl Sjisjkin)

Het is een dans macabre waarin je optreedt. Onwaarschijnlijk maar waar. Je draagt je witte pak, met daaronder je donkerblauwe zijden hemd. Ze hangen weer om je heen, de vrouwen waarmee je werkt, mee uitgaat en met ons bevriend. Je opent je dans met Alice, een kop groter en je steun en toeverlaat op het werk. Onderweg ontmoet je Troes en Truida, zij zijn nichten, dansen samen en hebben heel wat te bespreken. Je kust hun hand, altijd charmant. Dan is er een changement en ik zie je zwevend gaan, naar stille Ans. Zij heeft haar dranktas met likeur aan haar arm en geeft je slokjes. Je lust er wel pap van; maar zij heeft het nippen tot kunst verheven, dus dat wordt aanpassen. Het wordt merkwaardig aangenaam en de rij wachtenden wordt groter. Ik zie mijn moeder met haar kleine dure schoentjes. Zij danst met haar oudste zoon, terwijl haar kleinzoon zich in een totaal andere maat voortbeweegt. Papa is druk en tekent een hittebestendige paternoster. Op de bank aan de zijkant zit jouw moeder, zonder feestjurk, met haar schort nog aan en op haar versleten pantoffels. Zij kijkt uit naar haar man, die al langgeleden vertrokken is. Zoals gewoonlijk zijn haar nylons aan flarden, maar wat kan het schelen. Het uiterlijk is hier niet van belang. Plotseling roep ze: “Waar zijn we hier, jongen” en jij roept: “In het vagevuur, moeder. Het wachten is waar we straks heen gaan.”

Uit een zijdeur verschijnen Lea en Bob. Zij zijn voorzien van een reistas en zijn al aan de Gouden Poort geweest, die door dominee beloofd was. Ze zijn er nog niet aan toe, of mogen ze er nog niet in? Voorlopig zijn ze tevreden met de gasten in het vagevuur, hoewel het zeker niet hun doel is. De Hemel was toegezegd, maar soms lopen zaken anders dan verwacht. Ze dansen voorzichtig rond en groeten bekenden en onbekenden en constateren: wel erg veel ongelovigen hier. Het valt op dat niemand een horloge draagt: tijd is hier schijnbaar niet van belang. Er wordt ook niet gegeten: zeker een te aardse bezigheid?

Het wordt alsmaar warmer en opeens zie ik dat je één vleugel op je rug draagt. De andere is gesmolten en hangt er verloren bij. Sommige aanwezigen hebben alleen maar kleine stompjes waar nog vleugel uit moet groeien. Er ontstaat plotseling een groot gat waarin de bloedhete hel te zien is. Dante loopt zijn ronde, samen met Vergilius. Je ruikt de vuile opstijgende dampen. Oh, wat ben je bang daarin te verdwijnen. In je smetteloze witte pak kijk je over de rand, snuift wat en maant ons hier onmiddellijk weg te gaan. Je roep nog: “Zonder pijn kan er geen leven zijn”, teksten uit het nog niet vergeten verleden. Als de muziek afgelopen is stel je voor samen aan de oude Port te gaan. Ja, gedronken moet er worden, zeker onder deze zware omstandigheden.

Dan volgt het lied: Ich bin der Welt abhanden gekommen…

Ik stribbel tegen, ik wil nog niet, laat me los, ik wil nog niet. Blijf verdomme van me af!

 

© 050314/060920 els van dinteren

De oude Groningse

Hij had zijn zinnen gezet op het huis van mevrouw De Vries, in het Groningse dorp waar hij zo graag wilde blijven wonen. Zijn eigen huis was langzamerhand iets te klein voor zijn grote statusgevoel, dus droomde hij stiekem een stapje hoger te gaan wonen. Zijn vrouw vond het onzin, maar zij was gewend hem zijn zin te geven. Hij had al twee keer informeel met de zonen van mevrouw De Vries gesproken en voorgesteld dat zij toe was aan een kleinere woning of misschien wel een plekje in het bejaardenhuis. Zij was tenslotte al 86 jaar! De kinderen De Vries waren het roerend met hem eens en dachten aan de vette erfenis, die dan vroegtijdig kon worden ingelost. Tenslotte ook nog gunstiger voor de belasting.

Hij liet er geen gras over groeien en zette zijn eigen huis in de verkoop, met de gedachte dat het zo’n vaart niet zou lopen. Mevrouw De Vries had bij de jongens haar verbazing uitgesproken, dat de dorpsgenoten hun huis te koop hadden staan. ‘Zeker niet deftig genoeg’, had ze gezegd. Haar jongens zwegen als het graf. Ondanks de slechte tijd voor de huizenmarkt werd het huis binnen een maand verkocht. Nu was zijn tijd gekomen om spijkers met koppen te slaan, samen met de kinderen De Vries.

Op een avond belde hij aan en werd gastvrij binnengelaten. Daar hoorde hij dat er nog niet met moeder over de voorgenomen verkoop van haar huis was gesproken. Het zou geen problemen geven, maar het kostte wel wat tijd. Op deze snelheid was niet gerekend, door niemand.
Er werd een plan gemaakt om moeder te vertellen dat haar huis in de verkoop zou gaan.

De jongens De Vries, met hun vrouwen, gingen bij moeder langs. Zij sprak haar verbazing uit dat het bezoek niet was aangekondigd en nogal onverwacht kwam. Na de thee vroeg zij aan haar jongens en hun vrouwen: ‘En wat brengt jullie hier op dit merkwaardige moment?’ De oudste zoon nam het woord: ‘Moeder, u bent al oud en we dachten dat het misschien beter voor u zou zijn om naar een andere woning uit te kijken’. De moeder was zichtbaar verbaasd en zei dat ze er de komende tijd wel over na wilde denken. ‘Maar de tijd dringt, sprak de andere zoon: er is een koper voor uw huis’. Hierop werd de moeder boos: ‘Wie heeft dit zo geregeld en waarom weet ik hier niets van …en wie is dan die koper?’ Er werd verteld dat de dorpsbewoners van even verderop haar huis willen kopen. Ze werd woedend: ‘Die heb ik vorige week –nota bene- nog uitgebreid gesproken in de supermarkt en geen woord over mijn huis!’

Haar kinderen wisten niet hoe nu verder, maar moeder bracht onmiddellijk uitkomst: ‘Dit huis waar ik mijn hele leven al in woon en dat door vader zo prachtig is onderhouden, wordt helemaal niet verkocht! Ik blijf hier wonen tot ik sterf en ik heb me voorgenomen 105 jaar te worden. Laat die twee stiekemerds van verderop zelf maar naar het bejaardenhuis gaan. Ik blijf hier…. en jullie ….allemaal eruit, en voorlopig er niet meer in!  Als ik hieruit moet zal het horizontaal zijn, en niet anders!’

Hij, de toekomstige koper, kreeg onmiddellijk bericht van de kinderen De Vries en wilde graag zijn net verkochte huis terugkopen, maar dat kostte hem 30.000 euro. Dat ging dus niet door. Hij woont nu in een klein huisje op een camping samen met zijn vrouw, en kan uit schande niet meer terug naar zijn geliefde Groningse dorp. Iedereen daar -en waar hij nu woont- weet dat hij het huis onder de kont van een oude Groningse vrouw wilde wegkopen.

© Els van Dinteren

 

Deksels van sarcofagen

Ergens achteraan op de Pincio of misschien al in de Villa Borghese

liggen in de open lucht tussen de struiken twee deksels van sarcofagen,

gehouwen uit steen van een mindere kwaliteit. Het zijn geen kostbaarheden,

ze liggen daar maar. In de lengte uitgestrekt rust daarop het echtpaar dat

zich er eens bij wijze van memento op heeft laten uitbeelden. Men ziet

veel van die deksels in Rome: maar in geen enkel museum en in geen enkele

kerk maken ze zo’n indruk als hier onder de bomen, waar de figuren zich

neergevlijd hebben als op een picknick en net ontwaken uit een slaapje dat

tweeduizend jaar heeft geduurd.

Met het hoofd op hun elleboog liggen ze elkaar aan te kijken. Het enige dat

ontbreekt is tussen hen in een mandje met kaas en wijn.

De vrouw heeft een kapsel met kleine krulletjes, – zo dadelijk zal ze het voor

haar middagslaapje schikken volgens de laatste mode. En ze glimlachen naar

elkaar; lang, heel lang. Je wendt je ogen af: ze blijven het doen, er komt geen eind aan.

Die trouwe, brave, burgerlijke, verliefde blik heeft de eeuwen getrotseerd; hij

heeft in het oude Rome het oog verlaten en kruist vandaag het jouwe.

Verbaas je er niet over dat die blik jou niet loslaat; dat beiden niet wegkijken

of hun ogen neerslaan: ze verstenen niet, maar vermenselijken erdoor.

 

Uit: Robert Musil, Het postume werk van een levende

Ceder Editie, Meulenhoff Amsterdam, 1978

 

Onderaardse schoonheid

Vandaag hoorde ik het weer op Radio 4 en de herinnering kwam onmiddellijk terug.
Omdat ik me had voorgenomen de wc in de trein niet te gebruiken waren mijn gedachten gefixeerd op het artikel in de ochtendkrant. Ik wist exact in welke richting het wc-pijltje stond: rechtsaf en dan de deur door. Eindelijk reed de trein het station van Utrecht binnen en liep ik gehaast in de richting van kantoor voor een drukke vergadering met gasten en collega’s. Op de Oude Gracht merkte ik dat het niet langer ging en daalde ik de trap af naar het openbare toilet. Daar werd ik overdonderd door prachtige muziek. Ik stond een moment stil en luisterde. Een oudere man zat achter een tafeltje, op het schoteltje lag wat kleingeld. Mijn eerste gedachte was: een herentoilet. Wat te doen, luisteren of gaan? De man wees me met een bescheiden handgebaar naar rechts: daar moest ik zijn. Het was rustig, er waren geen andere klanten. Bij het verlaten van de wc waste ik mijn handen, de man reikte me een papieren servetje aan en ik luisterde nog even naar de muziek uit zijn oude cassetterecorder.

De man nam zijn plaats weer in en wees naar de andere kant van het tafeltje. Daar stond een tweede stoel. We luisterden samen naar de opera. Witte tegels, schone wasbakken, een mannen- en een vrouwentoilet, een tafeltje met schoteltje, de cassetterecorder en ik als zijn secondant. Er kwamen nieuwe gasten langs, deden snel wat nodig was, wierpen geld op het schoteltje en vertrokken zonder iets te zeggen. De man vertrok geen spier en liet zich op geen enkele manier door zijn bezoekers afleiden.

Natuurlijk kon ik niet direct opstaan, dat zou onvriendelijk zijn. De muziek werd heftiger en er klonk een gepassioneerd duet tussen een bas en een tenor. De man, hij leek mediterraans, was ooit diepzwart van haar geweest, nu overwegend grijs, met een grote snor en zeer vriendelijke bruine ogen. Hij droeg een spierwit overhemd met daar overheen een enigszins versleten colbert met elleboogstukken. Dat deed niet af aan de adellijke trekken in zijn gezicht of aan de situatie waarin hij zich bevond. Hij luisterde geboeid naar de muziek. Vragend en met opgetrokken wenkbrauwen keek ik hem aan.

‘Pasquale, Don Pasquale’, sprak hij zacht. Wetend hoe lang een opera kan duren dacht ik aan mijn vergadering en maakte voorzichtig aanstalten om te vertrekken. De man hief voorzichtig zijn hand en maande mij nog even te blijven. De rechter kant van zijn snor trok hij iets op, als blijk van vriendelijkheid. Hij fluisterde: ‘La Donna.’ Binnen enkele seconden begon een heldere sopraan haar adembenemende aria. De muziek won het van de tijd; we luisterden samen naar de aria en naar de rest van de eerste acte. Daarna stond ik voorzichtig op.
Hier kon ik toch geen geld op een schoteltje leggen?

Gelijk met mij stond hij op en terwijl ik hem mijn hand toestak om hem te bedanken pakte hij die voorzichtig en gaf er een kus op; een echte handkus, zoals het hoort. Zijn zachte snorharen raakten amper de bovenkant van mijn hand. We keken elkaar heel even aan. Op de trap naar boven draaide ik me om en gaf hem een welgemeende glimlach. Hij knikte verlegen. Oeroude cultuur en elegantie in het openbare toilet, vroeg in de ochtenduren op een gewone doordeweekse dag.

Bij binnenkomst vroeg de voorzitter of er ernstige vertraging op het spoor was. Blozend en met kloppend hart was mijn antwoord: ‘Ik was in de opera, Don Pasquale, en moest wachten tot het eind van de eerste acte. Eerder kon ik de ruimte niet verlaten. Mijn gezelschap liet me niet gaan en het zou wel zeer onbeleefd geweest zijn daar geen rekening mee te houden.’
Zij en de anderen keken me glazig aan en dachten aan Den Dolder.

© Els van Dinteren

De rat

Hij was terug komen lopen, dagen lang, door weer en wind. Vanwaar hij precies kwam werd niet helemaal duidelijk, maar het was ergens in Midden-Duitsland. De oorlog was nog niet lang daarvoor beëindigd. Hij was door het Amerikaanse leger bevrijd en was nu op weg naar huis, naar het huis van zijn ouders in Amersfoort. Voor zijn vertrek had hij nieuwe kleren gekregen van een internationale hulporganisatie. Zijn oude kleren had hij dag en nacht gedragen gedurende zijn dwangarbeid. Die waren door werk en tijd tot op de draad versleten. Hij trok zijn nieuw gekregen pak en schoenen aan en voelde zich eindelijk weer mens worden, en had ook zich met echte zeep kunnen wassen. Zijn bundeltje oude spullen bond hij samen en hij vervolgde zijn thuisreis, te voet en alleen.

Midden jaren zestig ontmoette ik hem op een afdeling van het Computercentrum waar ik werkte. Hij zat tegenover mij aan een groot bureau, op een paar meter afstand. Hij had zich voorgesteld als: ‘Zeg maar Davelaar’. We werkten in alle stilte, maar af en toe keek ik naar hem, niet omdat ik hem zo mooi vond, hij zag er afschrikwekkend uit: lang, mager, sterk uitstekende jukbeenderen en grote uitpuilende ogen. Vaak had ik de neiging te vragen: ‘Gaat het wel goed met u, meneer Davelaar’, maar dat deed ik niet. Hij was te kwetsbaar. Meerdere keren per uur rolde hij een dun shagje en nam dan een kleine pauze. Wel merkte hij dat ik soms naar hem keek. Op een dag vond hij het nodig zijn verhaal te vertellen. Ik was ontdaan en begreep niet dat hij met zo’n zwak gestel en uitgeput lijf kon werken. Het was zijn overleving, zei hij. ‘Als ik dit werk niet zou hebben, zou ik allang naar de sodemieter zijn geholpen.’   Zo noemde hij het met zijn zware, maar zachte stem.

Onderweg naar huis was het voorjaarsweer nogal wisselvallig, vertelde hij.  Af en toe regende het heftig, maar de sterke zon zorgde ervoor dat zijn nieuwe pak weer opdroogde. Hij hoopte dat zijn ouders trots waren dat hij zo netjes aangekleed terug uit de hel kwam wandelen. Even voor Amersfoort begon het keihard te regenen en zijn nieuwe pak werd drijfnat. Niet alleen nat, maar het viel ook stukje bij beetje uit elkaar. Het bleek van een listig gefabriceerd papierproduct te zijn, op sommige plekken verstevigd met vlieseline strippen, die het geheel min of meer bij elkaar hielden. Door het weer verloor hij een deel van de mouwen en later –zoals hij al vreesde- ook de broekspijpen. Gelukkig had hij bij het omkleden zijn oude onderbroek aangehouden, die was te vies om uit te trekken, maar deed nu zijn werk. Hij kwam thuis met de papieren restanten van zijn pak en huilde van woede: hij ondervond het als de ultieme vernedering, gratis verkregen van een Amerikaanse hulporganisatie.

Na zijn korte verblijf bij zijn ouders werd hij voor enkele jaren opgenomen in een kliniek voor tbc-patiënten. Redelijk genezen ging hij uiteindelijk aan het werk en zag dit als doel van zijn bestaan: ‘Werken om de restanten van de hel te vergeten.’ Toen ik hem zag was hij eind veertig en had het uiterlijk van een man die na jaren uit zijn graf was opgestaan.

Het werd Sinterklaas. De afdeling had besloten het feest gezamenlijk te vieren. De chef, een kleine corpulente man, bijgenaamd ‘de rat’ nam gretig de organisatie op zich. Er waren sigaretten, warme wijn en zware banketletter. De sfeer was gemoedelijk. Collega’s lazen bulderend van het lachen hun gedichten voor. Nu was meneer Davelaar aan de beurt om zijn geschenk in ontvangst te nemen. Nieuwsgierig en met veel omzichtigheid pakte hij het uit. Er was geen gedicht voor hem gemaakt. Wij waren nieuwsgierig en stonden op om te kijken wat er in het mooie doosje zat. In witte watten lagen twee grote koeienogen met een kleine bril: meneer Davelaar met bril, in een doosje. Hij deed onmiddellijk het doosje dicht en keek ‘de rat’ aan, stond op en gaf hem het doosje terug.

© Els van Dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!