l Verhalen - els van dinteren
Close

Alle Menschen werden Brüder

Bij het lezen van ‘De klerk Bartleby: een verhaal van Herman Melville over Wall Street kwam ik niet verder dan de eerste zeventien pagina’s. Hij beschrijft uitvoerig en minutieus zijn kantoor en de mannen die daar werken. Zo uitvoerig dat ik plotseling dacht aan een situatie waarin ik jaren geleden terecht kwam. Nog piepjong werkte in een kantoorachtige setting op een groot computercentrum in het midden van het land.

Zij was een vrouw van rond de veertig jaar. Tenminste, dat werd verondersteld. In de ochtend kwam ze aangefietst, maar dat zagen wij nooit. Altijd was zij als eerste op de kamer. Daar hing haar beige stofjas, voorzien van extra losse mouwen met boven en onder elastieken, zodat alles op zijn plek bleef zitten. Haar gezicht vertoonde frisse trekken door couperose, wat haar een gezond uiterlijk verschafte. Uit de extra mouwen staken twee verzorgde handen, zonder sieraden. Enkele van haar vingers waren gebruind door sigarettenrook. Haar blik was van een vrome maagd en haar werklust was zonder weerga. Een ijverige vrouw in cognito. Ooit was er een receptie en trok zij haar grauwe imago uit: daaronder droeg zij haar mooie kleding inclusief een pront décolleté. Zonde dat wij als collega’s daar niet van mochten genieten. Af en toe sloeg ik haar gade, ook die namiddag dat ze werd opgehaald door een man met fiets. Ik dacht dat het haar verkering was. Hij belde en keek naar boven -we hadden uitzicht op de straat- maar ze reageerde niet. Ik vertelde dat er een man beneden stond, die waarschijnlijk voor haar kwam. Ze stond op, keek verachtelijk naar hem, zwaaide hem weg en vertelde dat het haar broer was. Ze kon zelf wel naar huis fietsen. Om vijf uur verliet iedereen het pand.  Zij ging als gewoonlijk als laatste weg, nadat zij zich van haar werkkleding had ontdaan. Ze woonde op fietsafstand samen met haar moeder en oudere broer, die als beschermengel over haar waakte.

Onze chef -meneer S.- was een kleine tengere, zeer aantrekkelijke man van een jaar of vijftig, met donkerbruine priemoogjes en een snelle wendbare tred: van het type streng maar rechtvaardig en genoot groot respect. Hij was de intelligente uitvinder van een nieuwe computertaal en kon via het door hem uitgevonden systeem de computer laten zingen: Alle Menschen werden Brüder. Er werden ook grappen over hem gemaakt; sommigen waren oprecht bang voor hem. Ik niet.

In de vakantieperiode bleef hij op zijn werk, terwijl hij toch ook een vrouw en kinderen had. Op zijn deur hing een bordje: NIET STOREN, IK HEB VAKANTIE. Niemand durfde hem daar te storen of aan te spreken, ook niet als hij op de gang zijn koffie inschonk.

Zoals gewoonlijk verliet ik die dag het pand aan de achterkant van het gebouw, dicht bij het busstation. Het was eind december en er waren inkopen gedaan voor de feestdagen. Ik was een deel van mijn boodschappen vergeten en moest snel terug naar mijn werkplek om nog een tas op te halen. De lichten waren zo goed als uit, maar ik vond mijn weg door het labyrint. Ik zag dat zij nog niet vertrokken was.
Tot mijn verbazing zat meneer S. op mijn stoel en zij zat op zijn schoot: niet in de amazonezit. Zij was ontdaan van haar werkkleding, inclusief de mouwen. Ze zat in haar zondagse goed. Samen rookten ze gezellig een sigaret in de decemberschemer.

Of er niets aan de hand was pakte ik mijn vergeten boodschappentas en wenste beiden veel plezier en prettige feestdagen en verdween in lichte shock weer naar buiten.

Vanaf die dag was haar stofjas verdwenen en ook de losse mouwen hebben we nooit meer gezien. Het was geheim wat daar gebeurde en pas nu na al die jaren schrijf ik over haar en hem. Misschien leeft ze niet meer of is ze zeer oud met een dito décolleté, en is hij inmiddels een keurige overgrootvader. Hij heeft haar minstens uit de eerste schil lelijke kleren bevrijd: dat mag hij –naast zijn ‘Alle Menschen werden Brüder’- op zijn conto schrijven.

 

© els van dinteren

Agnus

Beeld: Kitty Boon
Beeld: Kitty Boon

 

 

 

 

 

 

Op verzoek zorg ik voor lamsschenkeltjes: klein, fijn en lekker. De Marokkaanse slager groet me vriendelijk en vertelt over zijn verse waar: “Mevrouw, vers lamsgehakt, ik maak zelf, niet vet.” Er wordt besteld en ik kijk naar zijn assortiment en besluit zes mooie schenkeltjes te nemen. Hij zoekt de mooiste uit en laat me het bot zien en roep dat het heerlijk vlees is. “Hebt u ook lamstongetjes”, vraag ik wat beschaamd. Hij kijkt me aan en roept: “Ja, lekker!” Hij duikt zijn vriezer in en komt terug met een pak van meer dan één kilo. (Hoeveel tongetjes gaan er in één kilo?) Ik vraag of hij ook kleine pakjes heeft; die heeft hij niet. “Nee, ik maak twee pakjes; één voor u en één voor mij!  Vrouw is vanavond heel blij!  Dit eten is voor feestdagen”, vertelt hij mij aandachtig in zijn taal, bijna zonder lidwoorden. Het grote pak wordt met de cirkelzaak in tweeën gezaagd. Alle tongetjes doormidden. Au. Ik betaal contant. Zo heeft hij dat graag. Er is een pin, maar die wil hij niet gebruiken, waarom weet ik niet.

Voor de verjaardag van één van de vrienden kook ik in het bos. Ik heb de auto ingepakt voor het weekend en vertrek naar mijn huisje. Een wegomlegging leidt me langs prachtige weilanden en bosranden. Een plek waar ik nooit kom, terwijl het zo dichtbij is. De krentenbomen staan bijna in bloei en in de bermen verschijnen de eerste bosanemonen. Het is vroeg in de morgen en de zon doet zijn best. Vlak bij Norg kom ik in een kleine verkeersopstopping, die dwingt me de motor even uit te zetten. Ik wacht geduldig, luister naar de Mattheus op de radio en ben veroordeeld even naar rechts te kijken. Daar liggen twaalf kleine lammetjes in de wei. De moeders kijken gedwee naar hun kroost. Vlak bij de weg, langs het hek liggen drie lammetjes in elkaars pootjes, de kopjes tegen elkaar en gericht naar de zon. Ze slapen nog, zo te zien. Wat ’n lieflijk pastoraal beeld.
Ik denk aan het pakket vers vlees achter in de auto en besluit ter plekke dat dit de laatste keer is dat ik lamsvlees eet. En nu volhouden! ….En het vlees… en de tongetjes….en de vriendelijke slager?

 

© els van dinteren

 

 

Bijzonder bezoek

Het is nog geen Pasen en toch was ik getuige van een onverwachte opstanding. De opstandeling liep mijn bospad op aan de arm van vriendin R. Hij hing weliswaar wat aan haar en zijn tred was niet de allersterkste, maar hij liep! Iets wat hij en wij niet meer voor mogelijk hadden gehouden. Hij lachte licht cynisch in mijn richting, zijn voeten werden aandachtig neergezet en hij bleef overeind.

Zonder aarzeling nam hij zelfstandig het opstapje voor de deur en binnen ontdeed hij zich voorzichtig van zijn jack. ‘Lekker warm hier, houtkacheltje, heerlijk’.

Ik stond mijn stoel met warm schapenvachtje aan hem af; lekker zacht voor zijn bijna ontbrekende billen. Zijn ouderwetse bakkersbroek met blauwe ruit slingerde om zijn magere benen. Ik keek hem even aan en we lachten alle drie om dit bijzondere tafereel.  Zijn vriendin wilde met hem wandelen, maar hij stelde voor zelf met zijn auto naar het boshuis rijden. En dat lukte!

De verhalen bij de kachel waren vooral hilarisch: niet die over zijn slopende ziekte, maar de anekdotes over het RK-geloof, waarin we beiden waren opgevoed. Biechten, scapulier-medaille op de borstrok, de Blasiuszegen tegen kroep, het wijwaters-vaatje, het heilig oliesel, askruisje, nuchter ter communie en het van flauwvallen in een langdurige mis met drie Heren. De Paasweek kwam langs: de met witte kleden afgedekte beelden op witte donderdag en die op goede vrijdag in dieppaars en natuurlijk uiteindelijk het paasvuur en de opstanding. We wisten ervan! Vriendin R. was van andere huize en vermaakte zich vooral over de terugkerende bulderlach.

De dood had hij voorlopig even terzijde geschoven door een immuuntherapie, die zowel tot verbazing van de artsen als voor hemzelf redelijk was aangeslagen. Wat het meest aan hem opviel was zijn oude humor. Door alle pijn en afbraak was zijn vileine humor en eloquente taalgebruik redelijk overeind gebleven. Zijn hersenen waren godzijdank niet aangetast en daar maakte hij ruim gebruik van. We dronken thee met Madeleines en natuurlijk maakte hij de voor de hand liggende opmerking, met een blik naar zijn beide toehoorders:  ‘Ja hoor, die kennen we. We lezen soms ook een boek.’

Opeens keerde hij terug naar zijn ziekenhuisbed, waar iets bijzonders was gebeurd. Hij leed aan heftige pijnen, daarom moest een zenuw operatief worden omgelegd. Daarna nam de pijn af en trad herstel tijdelijk in. Op een ochtend stond er een arts naast zijn bed met de vraag: ‘Ken je me nog?’ Het was Rob G., die als jonge leerling bij hem op de lagere school in de klas had gezeten. De mannen hadden elkaar al die jaren niet meer gezien: de patiënt nu 74 jaar en het kleine kereltje inmiddels 60 en hoogleraar neurologie. Een prachtige ontmoeting! Rob kwam dagelijks even bij ‘zijn meester’ langs om naar hem te kijken.

Teruglopend naar de auto deelde hij ons voorzichtig maar standvastig mee: ‘Ik vergat jullie nog iets te vertellen. Ik ben weliswaar tijdelijk opgestaan, maar ik vertrek binnenkort. Er is geen ontkomen meer aan!

Nu, bijna een jaar later lees ik dit verhaal terug: hij is kortgeleden vertrokken.

 

© els van dinteren

 

Existentieel

De aankondiging in het reclameblok vanmorgen op Radio 4 hakte er behoorlijk in. In de tv-uitzending van Radar zouden de oplichterspraktijken van een zogenaamde trouwjurken-ontwerper aan de orde worden gesteld. Toekomstige bruiden waren in alle vertrouwen met deze zogenaamde couturier in zee gegaan en bestelden de mooiste creatie van hun leven, voor heel veel geld. Het toegestuurde resultaat was een met plakband en andere noodmaatregelen aaneen gefrummelde uiteenvallende trouwjurk. De post kwam twee dagen voor het grote feest. De toestand!

Ik moet er overigens niet aan denken om me (weer) in een trouwjurk te hijsen.

Afgelopen week ruimde ik de kledingkast op. De sinds jaar en dag onaangeraakte stukken textiel verhuisde ik ‘naar elders’. De Humanitas-winkel brengt verlichting in bange dagen, voor wie niet vies is van een 2e hands jas, jurk of broek. Recycling in de aardigste zin van het woord, met een humaan tintje. Het geeft rust!

Het kostte niet veel tijd: opruimen kan ik goed. Het verlicht keuzemomenten en creëert ruimte in het hoofd. Hoe minder spullen hoe liever. Ik ben mijn eigen opruimgoeroe geworden.

Daar stond plotseling het kleine lederen koffertje met de boodschap in hoofdletters: ‘Pas openen na mijn dood.’ Het was nog niet zover, maar het is tenslotte mijn eigen koffertje en mijn eigen handschrift. Het koffertje open gemaakt en ja hoor, het zag er allemaal nog heel herkenbaar en vertrouwd uit. Wel heb ik even een klein rustmoment ingelast. Of ik er nog in zou passen was natuurlijk de vraag. Zonder twijfel hees ik me in de gebroken witte rok en daarna in de bijbehorende jurk met split tot aan het middenrif, bijeengehouden door een grote strik. Het was een hele chique creatie voor die tijd. Nee, er was geen sluier, daar hield ik niet van. Te veel gedoe en gesleep. Wel bekeek ik nog even de bijbehorende foto’s en zag een jong verliefd stel, dat de toekomst met veel plezier en vertrouwen tegemoet trad.

Soms valt er een jurk uiteen en blijft het huwelijk langdurig voortbestaan. De omgekeerde situatie komt jammer genoeg vaker voor. Altijd goed voor andere tv-uitzendingen.

Mijn jurk is wonderwel in een mooie frisse staat gebleven.

 

© els van dinteren

KUNST

Barbara Hepworth Museum and Sculpture Garden
(c) Tate

De voorspelde bui hield zich in vanwege de opkomende wind. Ik wachtte en keek naar de donkergrijze lucht die verdacht veel op de contouren van Europa leek: in het noorden Scandinavië, in het zuid westen het Iberisch Schiereiland en in het diepe zuiden de laars van Italië.

Als een donderslag bij heldere hemel vond een spontane afsplitsing plaats. Engeland dreef nog verder weg van het vaste land en begon nog meer een eigen leven te leiden. In het noorden de Faeröer Eilanden, een listig afgesplitst Schotland en onderin de contouren van Lands End.

Ik wandelde al dagen langs het costal path, met rugzak en poncho. Het regende veelal; de richting was zuidwest.

De route was naar St. Ives; de woonplaats van Barbara Hepworth. Haar atelier was nog geheel in takt; de sigarettenpeuken geurden alsof ze zojuist waren uitgedrukt. Haar kunst was langs de kust toegevoegd aan het landschap. Wind en regen deden hun werk.

Engeland loste op en waaide weg in herinnering. De bui kon komen.

Deze week, drie decennia later zag ik weer haar kunst.
Onveranderd sterk en van onverwoestbare schoonheid.
De asbak met peuken is in St. Ives gebleven.

 

© els van dinteren

 

 

Teder gedicht

Regelmatig krijg ik per mail of per ouderwetse post vrijkaarten voor een tentoonstelling of kunstbeurs. Niet altijd maak ik er gebruik van, maar soms moet ik mijn huis even verlaten in ruil voor schoonheid of verwondering. Zo ook in de maand september. De KunstRai in Amsterdam. Niet het meest aantrekkelijke gebouw in ons land. Maar ga je door de deur, dan vergeet je de desolate aanblik van een paar minuten eerder.

Rustig lopen met de plattegrond in de hand, die ik overigens nooit gebruik, maar die je bij binnenkomst aangereikt krijgt. Bekende en onbekende galeriehouders met aantrekkelijke kunst of kleurpanelen en objecten, die je liever snel voorbijloopt. Ik meldde me bij de Galerie die mij sinds jaar en dag vrijkaarten stuurt. In ruil leverde ik mijn gedichtenbundel die net uitgekomen was.

Bij de volgende galerie trof ik een bekend beeld, een meisjes torso van Eja Siepman van den Berg, zonder twijfel. Ik sprak de man in de stand aan over dit beeld. Hij bleek zelf ook kunstenaar te zijn en toonde mij na enig aarzelen zijn kunst. Bijzondere koperwerken en schilderijen met voor mij niet direct begrijpelijke kunst. Ik vroeg hem zijn werk te duiden: dat deed hij met passie en zachte stem. Ik sprak hier met een Irakese man, die enige jaren terug via verschillende landen inclusief gevangenissen uiteindelijk in Nieuwegein zijn nieuwe thuis had gevonden. ‘Ja Nieuwegein, heel mooi en rustig!’ Na uitleg van zijn werk vroeg hij naar mijn werk. Na jarenlang PR achter mijn naam te zetten, kies ik nu voor dichter en verhalenverteller. Hij was nieuwsgierig: daar hou ik van. Zonder nieuwsgierigheid geen voortgang!

Het gesprek duurde al een aantal minuten toen er koffie voor mijn gesprekspartner neergezet werd. Een dame kwam even later vertellen dat zijn koffie koud werd. Het deerde hem in het geheel niet. ‘Ja, koude koffie, ook lekker’ was zijn rustige reactie. We spraken over kunst, culturen, werken en genieten, over onderwijs, literatuur, Irakese gevangenissen en dichters. Hij was docent geweest aan de kunstacademie in Bagdad en had de stad door omstandigheden moeten verlaten.

Bij ons afscheid beloofde ik hem een gedichtenbundel te sturen.

Vorige week ontving ik een envelop met een prachtig kunstwerkje. Het was een getekende kopie van een van zijn grotere kunstwerken, die hij mij uitgelegd had. De kleine friemeltjes/tekeningen verwezen naar de aanwijzingen die zijn moeder gaf aan haar kinderen. Zij was analfabeet en communiceerde door middel van kleine tekeningen. Dat werden prachtige kleurige herinneringen in zijn bijzondere werk. Nu voor mij, in het klein met een teder gedicht!

© els van dinteren

 

Qassim

Sehen…

hoorde ik hem meerdere keren zeggen. “Sehen müssen wir, das ist wichtig. Nicht nur nach uns selbst, auch nach unserer Umgebung.”

Geboeid tot de laatste minuut zag ik weer de documentaire (NDR) ooit opgenomen in Museum Boijmans van Beuningen, met als enige persoon Oskar Kokoschka. Hij nam plaats in zijn stoel, vergezeld van een glas whisky. De voice-over begint met een korte CV: een aantal jaartallen en plaatsen. Hij nam het woord en vond deze informatie niet van belang. Het gaat niet om cijfers. Hij begint en vertelt uitgebreid over zijn jeugd en de boeken die hij van zijn vader kreeg. Allereerst een boek over Homerus, (het belang van de Griekse cultuur) dat hij later aanhaalt in zijn verhaal als hij over ‘zijn’ plaats in de kunstgeschiedenis vertelt en het tweede boek van Comenius, Via Lucis, dat een cruciale rol in zijn leven speelde. Het boek met de mooie plaatjes en daaronder het schrift ter aanvulling. Kokoschka is een aangename verteller, maar hij is ook een bekwaam docent, tekenaar en schilder. In zijn verhaal dat een uur duurt, komt hij tevoorschijn als een rebel en humanist. In zijn latere jeugd die hij doorbrengt in Wenen ontmoet hij bekende kunstenaars: schrijvers, dichters, architecten, waaronder Adolf Loos, die zichzelf geen architect noemt, maar metselaar. Wel geestig om dit verhaal te horen: Loos was een van de grote vernieuwers in de Weense architectuur en heeft veel over zich afgeroepen, niet alleen in die tijd, maar nog steeds. Kokoschka sloot zich aan bij de vernieuwers van de Wiener Werkstaette, en het was Loos die uiteindelijk de niet verkochte tekeningen en schilderijen van Kokoschka aankocht. Hij was zijn mecenas. Zo hielp hij hem aan geld, maar werd gelijker tijd een van de grootste verzamelaars van zijn werk. In Wenen waren natuurlijk voor- en tegenstanders: vernieuwing in de kunst was niet gewenst. Als jonge arme kunstenaar maakt hij twee boekjes, gedichten die werden voorzien van kleurige prenten. Hij tekent en schildert in aquatinten; teder en kwetsbaar en door de bevolking als ‘verwerpelijk’ ontvangen.

Hij leert Alma Mahler kennen en zoals vele mannen in het mondaine Wenen werd hij verliefd op haar. Ze waren vijf jaar samen, zij verliet hem voor Gropius (Bauhaus). Hij vertelt op een bijzondere wijze over de eerste wereldoorlog, werd soldaat, meldde zich vrijwillig aan, en kwam zwaargewond terug.  Hier volgt een uitvoerige beschrijving van hoe de mens ontaardt door het geweld. Het beeld van ‘de mens’ komt steeds weer naar voren; de mens, het bewustzijn en het handelen. Hij vraagt zich meerdere keren af: “Wer bin ich”, en kijkt dan verlegen in de camera, neemt een slokje en gaat verder zonder ons los te laten. In zijn schilderijen beeldt hij de immense natuur uit, maar altijd vanuit het perspectief van de mens. Op een van zijn schilderijen uit een latere periode, schildert Kokoschka zijn vriend Masaryck, president van Tsjecho-Slowakije. Naast hem staat Comenius, de pedagoog, filosoof, Tsjech, met het beroemde boek dat in het leven van Kokoschka zo’n belangrijke rol speelde, in de hand. Kokoschka was ‘een volgeling’ van Comenius en heeft veel aandacht voor het doceren aan kinderen. Dit thema komt meerdere keren terug in de documentaire. De meester, docent, tekenaar, schilder, dichter. Der Mensch Kokoschka.

Een aangename bijkomstigheid: Kokoschka spreekt Duits, met Weense tong, de taal die ik versta en mij het gevoel geeft dicht bij hem te staan. De beelden die ik heb ‘meegekregen’ bij mijn bezoeken. Een vorm van thuiskomen: herkenning, emotie, rijkdom!

 

© els van dinteren

Zondagmorgen

Het was een regenachtige nacht met veel wind en onrust. Het had geen zin lang te blijven liggen en te wachten op verbetering. De boekenkast brengt altijd uitkomst. Ondanks wind en wolken ging het raam wijd open en het ordenen kon beginnen. De plank met geleende kunstboeken en poëzie was aan de beurt. Ik zocht een paar tasjes en verpakte de terugbrengexemplaren zorgvuldig.

Het grote kunstboek nam ik nog even door: even duurde inmiddels al meer dan een half uur. Trek in een dubbele espresso met croissant. Hier werden mijn regelmatige wandelingen verpakt in zachtgroene landschappen: de Drentse Aa in breekbare verstilde schoonheid. Berend Groen, kunstenaar uit Zeijen.

Na ontbijt met muziek pakte ik de fiets en bracht het boek terug naar de rechtmatige eigenaren; een fietsafstand van tien minuten. De wind was gewillig. Gelijktijdig met de kennis dat het op de terugweg anders zou zijn. De eigenaren waren niet thuis; ik zette het boek in een kinderzitje in de schuur/fietsenopslag en inspecteerde de tuin, rook aan de weelderige verse kruiden en werd daarbij gehinderd door een wat aanstellerige poes met drie poten, die zich wentelde in aandacht en nog meer poezengedoe. Ik riep nog even: ‘Doe even gewoon poes, zo is het wel genoeg.’

De fietstocht terug verliep voorspoedig, er werd iets harder getrapt. Zo kwam ik aan bij het stoplicht kruising Rolderstraat/Fabriciusstraat en wachtte voor het stoplicht. Eindelijk ging het op groen, ik stapte op en reed diagonaal richting Doevenkamp. Midden op het kruispunt fietste ik achteloos langs een boek dat daar lag. Een paar meter verderop realiseerde ik me, dat de auto’s het boek zouden verpletteren; dus afstappen, keren met de fiets aan de hand en terug naar het middelpunt/kruispunt. Natuurlijk houden stoplichten daar geen rekening mee, dus alles begon te rijden en daar stond ik. Met het boek in de hand riep ik zwaaiend naar de auto die mij rustig naderde: ’RED HET BOEK!’ en vervolgde mijn tocht naar huis. Daar zag ik pas de titel van het boekje, dat ik had gered van de walsende autobanden. Rinkel de Kinkel, van Martine Bijl. Een boek dat ik nooit gekocht had, maar na deze reddingsactie zal ik het lezen met in mijn achterhoofd de chaos die had kunnen ontstaan door de verkeersveiligheid met een flinke korrel zout te nemen om een boek te redden. Rinkel de kinkel, gelukkig (nog) niet voor mij.

 

© els van dinteren

 

Tehuis voor Wachtenden

Ongeveer vijfenvijftig jaar schat ik haar: gekleed in een bont gebloemde legging met daaronder grote sportschoenen en daarboven een korte roze rok en een bruine vale blouse;  haar grijze haar kort geknipt en een gezicht met ingevallen wangen en grote blauwe ogen. Zonder aarzeling loopt ze op me af; ze wekt de indruk dat ze mij een prangende vraag gaat stellen.

’Loopt u ook zo graag over het perron, ik vind het fijn de komende en gaande mensen te zien, vooral de komende mensen bij de treinen, ik wacht op mijn zuster, ze zit in de trein, maar ik hoorde net omroepen dat die niet komt, er is weer iets mis tussen Zwolle en Assen: een dier zeggen ze maar het kan voor het zelfde geld natuurlijk een mens zijn, dat vertellen ze je niet, je moet er toch niet aan denken hoe dat eruit ziet helemaal platgereden om van de spetters maar niet te spreken of zo’n arm dier zo zielig….mijn hond is ook doodgereden ik heb hem begraven, hij was wel oud maar hoefde van mij nog lang niet dood, ik hoop maar dat m’n zus alleen is zonder die vent die mag ik niet en hij mij trouwens ook niet hoor…. maar ze zal wel alleen zijn ze heeft er niets over gezegd.’

We liepen samen een stukje op en neer op het rustige perron. ‘Het waait hier altijd en je mag hier ook niet roken alleen bij die paal; belachelijk wie heeft er godverdomme nou last van die rook, mijn zuster rookt ook maar die vent van haar niet die heeft een hekel aan roken en vindt dat het stinkt; hij heeft overal een hekel aan: aan roken aan afwassen aan boodschappen doen en koken kan hij ook niet ik vraag me af wat ze met die vent wil en wat ie wèl kan nou ja daar kan je je wel wat bij voorstellen hè, maar dat wil mijn zuster dan weer niet zo blijft het toch ’n gedoe met zo’n vent.’

Gelukkig kwam mijn trein binnenrijden en moest ik afscheid van haar nemen. Voor ik instapte keek ik of haar zuster met of zonder die vent uitstapte, maar er was niemand die op haar afliep. Misschien kwamen ze een trein later of had die vent besloten dat ze niet zouden gaan.

Vanuit mijn coupé zag ik dat ze een sjekkie aanstak en rustig het perron verliet. Ze liep naar de overkant, daar woont ze waarschijnlijk in het tehuis voor wachtenden.

 

 

© els van dinteren

‘Is het gepermitteerd…

dat ik mijn bord aflik’, vroeg hij zeer geaffecteerd. De gastheer keek er niet van op, gaf onmiddellijk toestemming en nam zelf ook zijn bord ter hand. De beide mannen likten voorzichtig met een serieus gezicht hun bord schoon, plaatsten het terug op tafel, pakten het servet en depten hun mond. De omstanders -vrienden en vriendinnen- hadden ook heerlijk gegeten, ze lachten niet en vertrokken geen spier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Hij, de ‘vrager’ was gast en op bezoek vanuit Canada. De oorlogsjaren had hij in het Jappenkamp doorgebracht, samen met zijn ouders. Op 14-jarige leeftijd was hij alleen naar Nederland gekomen om zijn school af te maken en bleef vervolgens in Nederland om te studeren. Tijdelijk woonde hij in een pleeggezin in Friesland, samen met andere kinderen met eenzelfde achtergrond. Hij had iets ‘overgehouden’ aan het kamp: het had te maken met eten. Aan de ontbijttafel werden geregeld alle broodkruimels bijeengeschraapt. Die stopte hij vervolgens in zijn zak. Soms liep hij er mee naar buiten; hij had altijd een klein plastic zakje bij zich voor ‘onderweg een hapje’. Ik had dat nog niet eerder gezien, maar zijn vrouw vertelde dat het erger was geworden, naarmate hij ouder werd.
Deze avond waren we met vrienden om gezamenlijk een Marokkaanse Pastilla te eten: een hartige taart met gedroogde vruchten, noten, groente en Marokkaanse kruiden, afgedekt met filodeeg en ruim gepoederd met suiker. Gemaakt door de andere oudere man. Ook hij had de oorlog meegemaakt, maar als jonge jongen in Amsterdam. Hij kon smakelijk vertellen over wat er in de vuilnisbakken te vinden was. Beide mannen wisten wat honger was en hadden dezelfde ‘afwijking’: nooit iets eetbaars weggooien! Een doodzonde! Als het eten heel lekker is mag je je bord aflikken!

Ze bleven de jongens die zij vroeger al waren.

De volgende dag logeerden we in het boshuis, waar een grote voederplek voor vogels en reeën is. Daar worden regelmatig broodresten neergelegd. Soms komt de eekhoorn, maar over het algemeen zijn het de vogels die weten waar ze eten moeten halen. Nu liep onze gast naar buiten en keek peinzend naar wat er op de voedertafel lag. Hij aarzelde niet en begon rustig te eten. Vanuit de kamer zagen we het gebeuren; hij was de concurrent van de vogels geworden: hij nam het ervan. Een deel van het voer stak hij weer in zijn zak, keek naar binnen en vroeg: ‘Wanneer gaan we fietsen?’ Het duurde niet lang, of al fietsend at hij zijn plastic zakje leeg. ‘Lekker hoor, die vogels worden bij jou maar verwend‘, sprak hij deftig met volle mond. Hij lachte satanisch en zette de grote versnelling op. Hij ging er vandoor en bij het eerstvolgende restaurant bestelde hij uitgebreid koffie met gebak: ‘Voor de broodnodige afwisseling.

Lusten jullie ook wat?’

 

© els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!