l Verhalen – Els van Dinteren
Close

De oude Groningse

Hij had zijn zinnen gezet op het huis van mevrouw De Vries, in het Groningse dorp waar hij zo graag wilde blijven wonen. Zijn eigen huis was langzamerhand iets te klein voor zijn grote statusgevoel, dus droomde hij stiekem een stapje hoger te gaan wonen. Zijn vrouw vond het onzin, maar zij was gewend hem zijn zin te geven. Hij had al twee keer informeel met de zonen van mevrouw De Vries gesproken en voorgesteld dat zij toe was aan een kleinere woning of misschien wel een plekje in het bejaardenhuis. Zij was tenslotte al 86 jaar! De kinderen De Vries waren het roerend met hem eens en dachten aan de vette erfenis, die dan vroegtijdig kon worden ingelost. Tenslotte ook nog gunstiger voor de belasting.

Hij liet er geen gras over groeien en zette zijn eigen huis in de verkoop, met de gedachte dat het zo’n vaart niet zou lopen. Mevrouw De Vries had bij de jongens haar verbazing uitgesproken, dat de dorpsgenoten hun huis te koop hadden staan. ‘Zeker niet deftig genoeg’, had ze gezegd. Haar jongens zwegen als het graf. Ondanks de slechte tijd voor de huizenmarkt werd het huis binnen een maand verkocht. Nu was zijn tijd gekomen om spijkers met koppen te slaan, samen met de kinderen De Vries.

Op een avond belde hij aan en werd gastvrij binnengelaten. Daar hoorde hij dat er nog niet met moeder over de voorgenomen verkoop van haar huis was gesproken. Het zou geen problemen geven, maar het kostte wel wat tijd. Op deze snelheid was niet gerekend, door niemand.
Er werd een plan gemaakt om moeder te vertellen dat haar huis in de verkoop zou gaan.

De jongens De Vries, met hun vrouwen, gingen bij moeder langs. Zij sprak haar verbazing uit dat het bezoek niet was aangekondigd en nogal onverwacht kwam. Na de thee vroeg zij aan haar jongens en hun vrouwen: ‘En wat brengt jullie hier op dit merkwaardige moment?’ De oudste zoon nam het woord: ‘Moeder, u bent al oud en we dachten dat het misschien beter voor u zou zijn om naar een andere woning uit te kijken’. De moeder was zichtbaar verbaasd en zei dat ze er de komende tijd wel over na wilde denken. ‘Maar de tijd dringt, sprak de andere zoon: er is een koper voor uw huis’. Hierop werd de moeder boos: ‘Wie heeft dit zo geregeld en waarom weet ik hier niets van …en wie is dan die koper?’ Er werd verteld dat de dorpsbewoners van even verderop haar huis willen kopen. Ze werd woedend: ‘Die heb ik vorige week –nota bene- nog uitgebreid gesproken in de supermarkt en geen woord over mijn huis!’

Haar kinderen wisten niet hoe nu verder, maar moeder bracht onmiddellijk uitkomst: ‘Dit huis waar ik mijn hele leven al in woon en dat door vader zo prachtig is onderhouden, wordt helemaal niet verkocht! Ik blijf hier wonen tot ik sterf en ik heb me voorgenomen 105 jaar te worden. Laat die twee stiekemerds van verderop zelf maar naar het bejaardenhuis gaan. Ik blijf hier…. en jullie ….allemaal eruit, en voorlopig er niet meer in!  Als ik hieruit moet zal het horizontaal zijn, en niet anders!’

Hij, de toekomstige koper, kreeg onmiddellijk bericht van de kinderen De Vries en wilde graag zijn net verkochte huis terugkopen, maar dat kostte hem 30.000 euro. Dat ging dus niet door. Hij woont nu in een klein huisje op een camping samen met zijn vrouw, en kan uit schande niet meer terug naar zijn geliefde Groningse dorp. Iedereen daar -en waar hij nu woont- weet dat hij het huis onder de kont van een oude Groningse vrouw wilde wegkopen.

© Els van Dinteren

 

Deksels van sarcofagen

Ergens achteraan op de Pincio of misschien al in de Villa Borghese

liggen in de open lucht tussen de struiken twee deksels van sarcofagen,

gehouwen uit steen van een mindere kwaliteit. Het zijn geen kostbaarheden,

ze liggen daar maar. In de lengte uitgestrekt rust daarop het echtpaar dat

zich er eens bij wijze van memento op heeft laten uitbeelden. Men ziet

veel van die deksels in Rome: maar in geen enkel museum en in geen enkele

kerk maken ze zo’n indruk als hier onder de bomen, waar de figuren zich

neergevlijd hebben als op een picknick en net ontwaken uit een slaapje dat

tweeduizend jaar heeft geduurd.

Met het hoofd op hun elleboog liggen ze elkaar aan te kijken. Het enige dat

ontbreekt is tussen hen in een mandje met kaas en wijn.

De vrouw heeft een kapsel met kleine krulletjes, – zo dadelijk zal ze het voor

haar middagslaapje schikken volgens de laatste mode. En ze glimlachen naar

elkaar; lang, heel lang. Je wendt je ogen af: ze blijven het doen, er komt geen eind aan.

Die trouwe, brave, burgerlijke, verliefde blik heeft de eeuwen getrotseerd; hij

heeft in het oude Rome het oog verlaten en kruist vandaag het jouwe.

Verbaas je er niet over dat die blik jou niet loslaat; dat beiden niet wegkijken

of hun ogen neerslaan: ze verstenen niet, maar vermenselijken erdoor.

 

Uit: Robert Musil, Het postume werk van een levende

Ceder Editie, Meulenhoff Amsterdam, 1978

 

Onderaardse schoonheid

Vandaag hoorde ik het weer op Radio 4 en de herinnering kwam onmiddellijk terug.
Omdat ik me had voorgenomen de wc in de trein niet te gebruiken waren mijn gedachten gefixeerd op het artikel in de ochtendkrant. Ik wist exact in welke richting het wc-pijltje stond: rechtsaf en dan de deur door. Eindelijk reed de trein het station van Utrecht binnen en liep ik gehaast in de richting van kantoor voor een drukke vergadering met gasten en collega’s. Op de Oude Gracht merkte ik dat het niet langer ging en daalde ik de trap af naar het openbare toilet. Daar werd ik overdonderd door prachtige muziek. Ik stond een moment stil en luisterde. Een oudere man zat achter een tafeltje, op het schoteltje lag wat kleingeld. Mijn eerste gedachte was: een herentoilet. Wat te doen, luisteren of gaan? De man wees me met een bescheiden handgebaar naar rechts: daar moest ik zijn. Het was rustig, er waren geen andere klanten. Bij het verlaten van de wc waste ik mijn handen, de man reikte me een papieren servetje aan en ik luisterde nog even naar de muziek uit zijn oude cassetterecorder.

De man nam zijn plaats weer in en wees naar de andere kant van het tafeltje. Daar stond een tweede stoel. We luisterden samen naar de opera. Witte tegels, schone wasbakken, een mannen- en een vrouwentoilet, een tafeltje met schoteltje, de cassetterecorder en ik als zijn secondant. Er kwamen nieuwe gasten langs, deden snel wat nodig was, wierpen geld op het schoteltje en vertrokken zonder iets te zeggen. De man vertrok geen spier en liet zich op geen enkele manier door zijn bezoekers afleiden.

Natuurlijk kon ik niet direct opstaan, dat zou onvriendelijk zijn. De muziek werd heftiger en er klonk een gepassioneerd duet tussen een bas en een tenor. De man, hij leek mediterraans, was ooit diepzwart van haar geweest, nu overwegend grijs, met een grote snor en zeer vriendelijke bruine ogen. Hij droeg een spierwit overhemd met daar overheen een enigszins versleten colbert met elleboogstukken. Dat deed niet af aan de adellijke trekken in zijn gezicht of aan de situatie waarin hij zich bevond. Hij luisterde geboeid naar de muziek. Vragend en met opgetrokken wenkbrauwen keek ik hem aan.

‘Pasquale, Don Pasquale’, sprak hij zacht. Wetend hoe lang een opera kan duren dacht ik aan mijn vergadering en maakte voorzichtig aanstalten om te vertrekken. De man hief voorzichtig zijn hand en maande mij nog even te blijven. De rechter kant van zijn snor trok hij iets op, als blijk van vriendelijkheid. Hij fluisterde: ‘La Donna.’ Binnen enkele seconden begon een heldere sopraan haar adembenemende aria. De muziek won het van de tijd; we luisterden samen naar de aria en naar de rest van de eerste acte. Daarna stond ik voorzichtig op.
Hier kon ik toch geen geld op een schoteltje leggen?

Gelijk met mij stond hij op en terwijl ik hem mijn hand toestak om hem te bedanken pakte hij die voorzichtig en gaf er een kus op; een echte handkus, zoals het hoort. Zijn zachte snorharen raakten amper de bovenkant van mijn hand. We keken elkaar heel even aan. Op de trap naar boven draaide ik me om en gaf hem een welgemeende glimlach. Hij knikte verlegen. Oeroude cultuur en elegantie in het openbare toilet, vroeg in de ochtenduren op een gewone doordeweekse dag.

Bij binnenkomst vroeg de voorzitter of er ernstige vertraging op het spoor was. Blozend en met kloppend hart was mijn antwoord: ‘Ik was in de opera, Don Pasquale, en moest wachten tot het eind van de eerste acte. Eerder kon ik de ruimte niet verlaten. Mijn gezelschap liet me niet gaan en het zou wel zeer onbeleefd geweest zijn daar geen rekening mee te houden.’
Zij en de anderen keken me glazig aan en dachten aan Den Dolder.

© Els van Dinteren

De rat

Hij was terug komen lopen, dagen lang, door weer en wind. Vanwaar hij precies kwam werd niet helemaal duidelijk, maar het was ergens in Midden-Duitsland. De oorlog was nog niet lang daarvoor beëindigd. Hij was door het Amerikaanse leger bevrijd en was nu op weg naar huis, naar het huis van zijn ouders in Amersfoort. Voor zijn vertrek had hij nieuwe kleren gekregen van een internationale hulporganisatie. Zijn oude kleren had hij dag en nacht gedragen gedurende zijn dwangarbeid. Die waren door werk en tijd tot op de draad versleten. Hij trok zijn nieuw gekregen pak en schoenen aan en voelde zich eindelijk weer mens worden, en had ook zich met echte zeep kunnen wassen. Zijn bundeltje oude spullen bond hij samen en hij vervolgde zijn thuisreis, te voet en alleen.

Midden jaren zestig ontmoette ik hem op een afdeling van het Computercentrum waar ik werkte. Hij zat tegenover mij aan een groot bureau, op een paar meter afstand. Hij had zich voorgesteld als: ‘Zeg maar Davelaar’. We werkten in alle stilte, maar af en toe keek ik naar hem, niet omdat ik hem zo mooi vond, hij zag er afschrikwekkend uit: lang, mager, sterk uitstekende jukbeenderen en grote uitpuilende ogen. Vaak had ik de neiging te vragen: ‘Gaat het wel goed met u, meneer Davelaar’, maar dat deed ik niet. Hij was te kwetsbaar. Meerdere keren per uur rolde hij een dun shagje en nam dan een kleine pauze. Wel merkte hij dat ik soms naar hem keek. Op een dag vond hij het nodig zijn verhaal te vertellen. Ik was ontdaan en begreep niet dat hij met zo’n zwak gestel en uitgeput lijf kon werken. Het was zijn overleving, zei hij. ‘Als ik dit werk niet zou hebben, zou ik allang naar de sodemieter zijn geholpen.’   Zo noemde hij het met zijn zware, maar zachte stem.

Onderweg naar huis was het voorjaarsweer nogal wisselvallig, vertelde hij.  Af en toe regende het heftig, maar de sterke zon zorgde ervoor dat zijn nieuwe pak weer opdroogde. Hij hoopte dat zijn ouders trots waren dat hij zo netjes aangekleed terug uit de hel kwam wandelen. Even voor Amersfoort begon het keihard te regenen en zijn nieuwe pak werd drijfnat. Niet alleen nat, maar het viel ook stukje bij beetje uit elkaar. Het bleek van een listig gefabriceerd papierproduct te zijn, op sommige plekken verstevigd met vlieseline strippen, die het geheel min of meer bij elkaar hielden. Door het weer verloor hij een deel van de mouwen en later –zoals hij al vreesde- ook de broekspijpen. Gelukkig had hij bij het omkleden zijn oude onderbroek aangehouden, die was te vies om uit te trekken, maar deed nu zijn werk. Hij kwam thuis met de papieren restanten van zijn pak en huilde van woede: hij ondervond het als de ultieme vernedering, gratis verkregen van een Amerikaanse hulporganisatie.

Na zijn korte verblijf bij zijn ouders werd hij voor enkele jaren opgenomen in een kliniek voor tbc-patiënten. Redelijk genezen ging hij uiteindelijk aan het werk en zag dit als doel van zijn bestaan: ‘Werken om de restanten van de hel te vergeten.’ Toen ik hem zag was hij eind veertig en had het uiterlijk van een man die na jaren uit zijn graf was opgestaan.

Het werd Sinterklaas. De afdeling had besloten het feest gezamenlijk te vieren. De chef, een kleine corpulente man, bijgenaamd ‘de rat’ nam gretig de organisatie op zich. Er waren sigaretten, warme wijn en zware banketletter. De sfeer was gemoedelijk. Collega’s lazen bulderend van het lachen hun gedichten voor. Nu was meneer Davelaar aan de beurt om zijn geschenk in ontvangst te nemen. Nieuwsgierig en met veel omzichtigheid pakte hij het uit. Er was geen gedicht voor hem gemaakt. Wij waren nieuwsgierig en stonden op om te kijken wat er in het mooie doosje zat. In witte watten lagen twee grote koeienogen met een kleine bril: meneer Davelaar met bril, in een doosje. Hij deed onmiddellijk het doosje dicht en keek ‘de rat’ aan, stond op en gaf hem het doosje terug.

© Els van Dinteren

Zoete verleiding

Het loopt tegen Pasen en dan moeten we anders eten. Boter zit niet meer in een pakje, maar is gevormd tot een lammetje in plastic verpakking. Kleine aardappels liggen verpakt in folie met truffelboter en geurige kruiden. Eieren zijn te vinden in allerlei uitvoeringen en maten: hartig en zoetig. Het assortiment vleeswaren en kazen is oneindig uitgebreid.

Ik dacht even aan de Mattheus Passion en de opstanding van de Heer, maar dat lijkt hier niet van toepassing. De winkel waar ik dagelijks inkopen doe speelt in op de komende feestdagen. Ze zijn op alles voorbereid. Het zal ons aan niets ontbreken. Bij het schap van de toetjes moet ik even wachten. Er staat een ouder echtpaar met een karretje. Hij roep: “Ja, deze wil ik graag”, en zij antwoordt: “Nee, dat doen we niet, niet goed voor je hart.” Hij is een kleine man met een kaal hoofd en guitige ogen. Hij draagt klompen en lijkt zo weggelopen van zijn boerenbedrijf. Zij is grijs, niet alleen van haar, maar helemaal. Hij probeert het nog een keer en kijkt in een buikvormige glas met rode kersen. Zij laat zich niet afleiden en pakt een pot havermoutpap en leest aandachtig het etiket. Ik pak ook zo’n pot kersen: het zijn Amarene-kersen, zure gekonfijte kersen op zware siroop. Ze komen uit Italië en zijn bijna nooit te krijgen, alleen rond de feestdagen. Een delicatesse voor bijzondere recepten, zoals een semifreddo: een heerlijk ijsgerecht. Maar ook goed voor allerlei andere desserts.

“Hoe eet u deze?” vraagt de man. Ik vertel hem dat ik ze eet met kwark of met cake en slagroom. Zij kijkt me verwijtend aan. “Maar u kunt thuis ook gewoon het potje opendraaien, een lepeltje pakken en er één of twee proeven.”  Zijn kraaloogjes worden glimmend en zijn mond lacht over de hele breedte van zijn gezicht. “Nee”, zegt zij. “Ik betaal het zelf” roept hij en houdt de pot kersen tegen zijn borst. Ik wens hem succes en loop door voor mijn andere boodschappen.

Bij de kassa staan ze voor mij: eerst de vrouw met haar boodschappen. Zij legt demonstratief een ‘houtje’ tussen haar en zijn aankopen. Als zij betaald heeft is hij aan de beurt. Een pot Amarene-kersen, een emmertje Turkse kwark en een spuitbus met slagroom betaalt hij met een briefje van 10 euro. Hij houdt genoeg over voor een ijsje.

Bij het naar buiten gaan kijkt hij nog even achter haar rug om en schudt zijn hand langs zijn rode rechterwang heen en weer: Mmmmmm…heeeeerlijk!

© Els van Dinteren

Ondergrondse kunst

Tokkel.

Onder mijn huis bevindt zich een kleine parkeerplaats, die twee straten en een parkje met elkaar verbindt. Onlangs heeft er een langdurige renovatie plaatsgevonden: er is eindelijk meer verlichting, alle wanden zijn schoongemaakt en van duikboot-grijze verf voorzien: alles graffiti-proef! Er is ook nieuwe bestrating aangebracht. Maar dat is niet alles: de bewoners hadden inspraak bij het tot stand komen van twee kunstwerken: één op de rechter en een op de tegenovergestelde wand. Jammer genoeg heeft niet iedereen meegewerkt. Er heerste een diverse sfeer: ‘Kunst op de parkeerplaats, wat ’n onzin!’ Toch kwamen er enkele ideeën binnen. Er werd een keuze gemaakt voor één modern en één traditioneel werk. Dat resulteerde in een gezapig stadsgezicht met op de voorgrond onze vertrouwde Bartje, uitgevoerd in diverse sferen grijs tot en met diepzwart. De bruine bonen denken we er zelf wel bij. Het andere kunstwerk droeg al snel een controversieel thema: het was een karakteristiek portret van de overleden Asser stadszwerver en muzikant Tokkel. Met de familieleden van de overledene was contact opgenomen. Zij waren zeer content met het voorstel hem te vereeuwigen als stadskunstwerk in de openbare ruimte.

De corporatie-schilder had er zijn hele creatieve passie ingeworpen: het resultaat zag er prachtig uit, na dagen werken inclusief het incasseren van diverse opmerkingen. Weliswaar was het ook opgetrokken in dezelfde saaie tinten, maar voorzien van een zwierige streek en een sluikse glimlach. Tokkel kijkt ons vanaf zijn muur ondeugend aan, zoals we hem hebben gekend. Hij was nog niet droog of daar kwamen de eerste bezoekers kijken: Tokkel had ook postuum de krant gehaald.

Natuurlijk bleven de scheldkanonnades niet uit: ‘Wat moet die schoft op onze muur? Waarom een zwerver die tot zijn dood van de maatschappij geprofiteerd heeft. Belachelijk!’
De verbale creativiteit van enkele buurtbewoners loog er niet om. Ik lied overigens luid en duidelijk weten het een prachtig karakteristiek portret te vinden. Inmiddels is het rumoer gezakt.
Tokkel was eerder bekend als een goed gitarist en zanger, die langzaam verviel tot een slordige sterkgeurige drugsverslaafde. Iedereen die hij tegenkwam vroeg hij om geld. Dat kreeg hij meestal: hij hoorde bij het stadsbeeld.  Ondanks alles bleef hij een aardig mens. Voor vrouwen die hij leuk vond had hij de volgende tekst: ‘Meisje wil je even met me neuken…het kost maar een gulden.’

Deze tekst zal mening meisje -jong en oud- niet vergeten zijn. Er werd vooral door ‘de meisjes’ om gelachen, maar geen gebruik van zijn genereuze aanbod gemaakt. Nu is hij vereeuwigd op de muur onder mijn huis, de ondeugende man met zijn ontwapende lach.

Gisteravond parkeerde ik mijn auto naast zijn grote portret. Ik groette hem. Er lag een rode roos, die prachtig afstak tegen het geheel. Ik verwacht meer bloemen, beertjes en andere zachte pluisdieren.

Als die komen…ik zal ze zeker niet opruimen!

© tekst en foto evd150419/250320

Voorjaarsdans

Beeld:  waterman, houtdruk, ncmd/canada ‘72

Vanuit het niets hoor ik de zachte tonen van een rustige wals. Er is geen orkest en ook geen radio. De muziek zit in mijn hoofd of hoor ik het zoals toen, lang geleden, in de baarmoeder. Zachte trillingen door de buikwand die zich nestelden in mijn brein?

De klanken worden luider, daar verschijn jij, licht bewegend in mijn richting. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is lopen we elkaar tegemoet, omarmen elkaar voorzichtig en draaien als volleerde dansers in dezelfde richting. Jij neemt de leiding -dat doe je prettig- ik beweeg met je mee. Godzijdank heb ik mijn hakken aan, dat danst hoger. Zo kan ik mijn hoofd tegen je hals leggen, voor een beter evenwicht. Je vindt het goed en buigt voorover op de maat van de muziek. We dansen de zwaartekracht ver voorbij. Ik zweef, je laat mij rusten en tilt mij een stukje van de grond. Is er grond? We vliegen als kleurrijke vogels over de stad, zoals bij Chagall. Soms raken we los van elkaar, maar er is iets dat ons wonderlijk weer samenbrengt.

De stemming verandert, de wals wordt treuriger: een ‘valse triste’. Onze stijl past zich aan tot een Engelse wals -langzaam, voorzichtig, bewuster. De schoonheid blijft maar de blijdschap verandert in melancholieke troost. Boven de prachtige stad zweven we voorzichtig naar het grote park. Daar rusten we onder een witte sering. Het is heerlijk, ondanks de valse triste…als we elkaar net willen …is er een dissonante luide aanhoudende toon, hinderlijk hard, van een vreemde orde.

Ik moet weg. Wel heb ik de hakken aangehouden.

© els van dinteren

Blue suède shoes

Zware pijnstiller haal je gewoon met een herhaalrecept. Dat is de schokkende kop boven een artikel in de avondkrant. Niet dat het mij verbaasde, maar nu zag ik de omvang op een bijgaande grafiek. Rood,  Oxycodon: tussen de 400.000 en 500.000 gebruikers in 2018. Blij te zien dat ik ook ergens bij hoor. Maandenlang kreeg ik per dag, zonder te vragen en zonder enige uitleg, een handjevol Oxycodon, terwijl ik plat lag, rustig naar het plafond keek en me nauwelijks kon bewegen. De pijn nam af maar veroorzaakte een vorm van lethargie en ongekende ongeïnteresseerdheid: ik verkeerde midzomer bij vijfendertig graden Celsius in een merkwaardige winterslaap. Maandenlang werd ik gevoed met gif. In de periode van revalidatie, die na een ingewikkelde operatie volgde, werd nog kwistiger omgesprongen met het medicijn. Ik mocht zelfs de rol met maandvoorraad in eigen beheer aanwenden, mocht ik nog trek in iets extra’s hebben. Waarom? Omdat men vond dat ik het wel aankon…zo’n rolletje voorraad. Het was overigens makkelijk voor de overdrukke verpleging. Dat weigerde ik: de verpleging was -volgens mijn traag werkende geest- medeverantwoordelijk voor het toedienen van medicatie. Daarom kwam er -geheel tegen hun zin- vier keer per dag een verpleger/verpleegster om de pil te brengen, vaak met de mededeling ‘als u meer nodig heeft moet u maar even bellen…vooral in de nacht’. Daarvoor bestond nog een extra grote pil, die binnen een minuut onder de tong smolt en zorgde dat de pijn per omgaande  verdween. Die heb ik een paar keer gebruikt: heel lekker spul!

Bij controle was de eerste vraag van de neurochirurg: ‘Had u ook Cold Turkey bij de stopzetting van de medicatie?’ Het antwoord was NEE. ‘Oh, mevrouw, dan heeft u geluk gehad. Gefeliciteerd! U bent dus niet in het bezit van het verslavingsgen!

Ik moest hem teleurstellen en vertelde over mijn verslaving aan slagroom en koffie. Dat vond hij niet erg. Ik vroeg naar zijn verslaving. Hij vertelde dat die lag in handgemaakte Italiaanse suède schoenen.

We lachten wat en ik sprak mijn verontwaardiging uit over het ongekende Oxycodon-gebruik. Hij was het me mij eens, maar vond het voor de pijnbestrijding in mijn geval zeer gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft de troep hopelijk mijn lijf verlaten, samen met de pijn. Ik loop weer!

Hij is  vast en zeker naar Milaan afgereisd voor een paar nieuwe blauwe suède schoenen, mede gefinancierd door farmaceutische industrie en ongewild ook door mij.

© evd/080219

Echte liefde

Het kwam vooral door het kijken naar het werk van Richard Long, tentoongesteld in museum De Pont in Tilburg en uitvoerig aangekondigd in De Groene Amsterdammer. Het was zondagmiddag, Schuberts Forellen zwommen rustig door het boshuis, de zon scheen en het stenen kunstwerk in de tuin lag er na regen en wind wat slordig bij. Mijn eigen kunstwerk gemaakt naar Richard Long: Een grote ronde plaat van Corten-staal, in het midden één grote steen, omringd door een krans van kleine vuurstenen: geel en bruin, op een piédestal van hout. Per wandeling werd steeds maar één steen meegenomen. Zo ontstond na jaren een volledig kunstwerk. Ik rangschikte de stenen, verwijderde oud blad en maakte het geheel voorzichtig schoon: bijna eerbiedig. Waar kwam die emotie vandaan? Waarschijnlijk door herinnering, ontluikende natuur en de intense beschrijving van het werk van Richard Long. Zijn kunstwerken ontstaan tijdens zijn wandelingen, meestal erg lange wandelingen door het Engelse landschap. Het lopen ziet hij als kunst.
Mijn wandelingen zijn van kortere duur en ontaarden niet in uitbundige kunstwerken. De zanderige wandelpaden in het bos worden regelmatig geëgaliseerd, waarbij prachtige stenen -vooral vuurstenen- bovenkomen. Soms worden er kleine vuurstenen gevonden die half of geheel tot werktuigjes zijn bewerkt. Heel oud en heel bijzonder. Er is inmiddels een kleine verzameling ontstaan. Kinderen vragen vaak of ze uit het stenen tijdperk komen: Ja, natuurlijk!
Bijna dagelijks maakten we een wandeling: soms een ‘kleine om’, bij redelijk weer een ‘middelgrote om’, maar hij genoot het meest bij een ‘grote om’, waarbij we altijd los van elkaar liepen. De een snel van tred, de ander trager maar niet minder intens. Hij was thuis in de omgeving en sloeg vaak ook even rechts of links af. Meestal werd er op mij gewacht bij een splitsing. Ik liet me door hem nooit van de wijs brengen. Vaak kwamen we op het zelfde tijdstip weer thuis. Misschien hield hij me wel van een afstand in de gaten. Altijd was ik verrast en blij hem weer te zien: mijn grote blonde liefde.
Bij thuiskomst legde ik de gevonden steen in een bak water; stenen kleuren in water prachtig op. Eens op een onstuimige dag raakte ik hem kwijt: hij was weer eigenwijs en trok zijn eigen pad. Na wat roepen en fluiten kwam er geen reactie. Uren later en heel ongerust zag ik hem bij het huis rond scharrelen. Hij zocht mij. Ik vroeg waar hij geweest was. Hij keek me wat vragend aan. Ik wist toch dat ik op hem rekenen, hij liet me nooit in de steek!
Na veertien (maal zeven) jaar kon hij niet goed meer lopen. Er werd besloten dat hij ons heel veel plezier had gebracht en beslist niet mocht lijden. Trouw tot de laatste dag. Hij merkte dat er iets ging gebeuren en maakte een luid jankend geluid. Het afscheid was heftig maar snel. Er werd in de bostuin een diep gat gegraven: voorzichtig gewikkeld in het diepblauwe satijnen laken werd hij in zijn graf gelegd. Daarna werd hij toegedekt met humus, zachte bosgrond en sterrenmos.
Vandaag maakte ik het kunstwerk met de vuurstenen schoon. Daaronder ligt hij, al zeven jaar. De emotie is nog hetzelfde.
Ik durf geen andere hond meer te nemen: het afscheid en die veertien jaar, dat red ik niet.

© els van dinteren

Factotum

De groep Hongaarse kunstenaars had zich na uitvoerig overleg en volgens afspraak in het vakbondsgebouw verzameld, voorzien van een uitgebreide hoeveelheid drank. We telden twaalf mannen, de meesten met snor, baard of andere uitbundige haargroei. ‘Waar zijn de vrouwen?’ was de vraag die al snel op tafel kwam. De oudste in het gezelschap, de voorzitter, nam het woord: ‘Hongaarse vrouwen maken geen kunst, die werken bij ons in de keuken’. Hij had -zoals verwacht- een aantal lachers op zijn hand. We besloten na kort overleg de volgende dag terug te komen; zelfde tijd, zelfde plaats. Zij zouden zorgdragen voor een gezelschap van mannelijke en vrouwelijke kunstenaars; de Nederlandse subsidievoorwaarde voor internationale samenwerking. Voor ons, de initiatiefneemsters, was het tijd de mooie hoofdstad in te ruilen voor een tochtje naar de poesta.

De weg werd versperd door een kleine optocht: een kameel, een olifant en een paar apen aan de ketting, onder toeziend oog van een oude stalmeester. Het kleine circus was in het plattelandsdorp neergestreken. Een dikke dame zat pontificaal achter de kassa bij de ingang. Het houten huisje sloot als een strakke robe om haar heen. Haar beide armen lagen in ruststand. Bij het afscheuren van de entreekaartjes bewogen slechts haar vingers. Zij lachte ons vriendelijk toe. Enkele meters verderop was de kleine tent, met zitplaatsen die werden bezet door ouders, grootouders en vooral veel kinderen. Bij het optreden van de clown waren de kinderen opgewonden, vooral na zijn serie harde scheten. De clown wees een van de kinderen als dader aan. Hij gaf de schuld aan de moeder, die  waarschijnlijk te pittige goulash had gemaakt.

Nu verscheen de dikke dame. Ze had haar tickethuisje afgelegd en toonde zich in haar volle glorie. Haar roze tutu was groot en verlept, daarboven droeg ze een witte bh uit een ver verleden en een boa van struisvogelveren, die zij met veel bombarie omsloeg.  De strakke legging onder haar tutu vertoonde gaten en slijtageplekken. Toen ze zich naar het publiek boog was een deel van haar ondergoed te zien. Ze opende de oude koffer die ze bij zich droeg. Er verscheen een reuzegrote slang, een boa constrictor, groter dan de vrouw en vooral angstaanjagend voor het kleine publiek. Met een grote zwier sloeg ze het monster om haar hals en liep langs de eerste rij. Daarbij nodigde ze de kinderen uit het beest te aaien en liep daarna hard lachend terug. Enkele kinderen hadden zich uit angst onder hun zitplaats verschanst. Daarna ging de slang weer in de koffer en vertrok ze onder luid applaus achter de gordijnen.

Traag verscheen een zeer oude beer in de piste, samen met de vrouw, nu in tijgerpak. Om zijn achterpoten droeg het beest zware kettingen, maar hij was wel in staat kleine passen te nemen. Zijn rug was bedekt met kale plekken. Op haar bevel verhief hij zich op zijn achterpoten en keek daarbij lusteloos in het rond.  Het applaus werd door de dikke dame met een elegant danspasje in ontvangst genomen. Hoe lang zou deze arme beer het nog volhouden?  In de pauze bezochten de kinderen de beestenboel; de lucht was niet te harden, maar de gratis limonade verzachtte veel.

De clown trad na de pauze op als macho-messenwerper. Een bordkartonnen plaat werd met een spot belicht; er waren al enkele messen geworpen. Daar verscheen de dikke dame in een glimmende blauwe jurk voorzien van hele wijde mouwen. De man begeleidde haar naar haar plaats voor het ronde bord; ze spreidde gewillig haar armen. Hij eiste volstrekte stilte! Eén voor een wierp hij de messen, te beginnen aan haar linkerzijde en daarna rechts. Het ging goed, de zaal was gespannen en af en toe riep iemand ‘vigilent, vigilent’. Voor hij aan het laatste deel van zijn act begon, vond ze het genoeg geweest. Ze wilde stoppen, maar haar jurk was aan de mouwen  door messen vastgepind.  Ze trok zich los, scheurde haar jurk en verdween achter het gordijn. Het publiek pikte het niet, werd boos en riep haar terug. De messenwerper liep haar luid vloekend achterna. Mensen wilden hun geld terug; het was maar een halve act. Dáárvoor hadden zij hun dure geld niet neergelegd!

Bij het verlaten van het circus stond ze bij de uitgang, samen met de oude beer. Je kon hem aaien, mocht je dat nog willen. Ze dankte met een verlegen Sok Köszönöm, legde haar hand op haar hart en knikte. Wij bedankten haar met een handkus en een hartelijk tot ziens. Het was een groet vol mededogen.

De internationale samenwerking , de organisatie van een tentoonstelling,  heeft overigens niet plaatsgevonden. De volgende dag waren alle mannen weer aanwezig, vergezeld van één vrouw: de echtgenote van de voorzitter.

© els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!