l Verhalen – els van dinteren
Close

Teder gedicht

Regelmatig krijg ik per mail of per ouderwetse post vrijkaarten voor een tentoonstelling of kunstbeurs. Niet altijd maak ik er gebruik van, maar soms moet ik mijn huis even verlaten in ruil voor schoonheid of verwondering. Zo ook in de maand september. De KunstRai in Amsterdam. Niet het meest aantrekkelijke gebouw in ons land. Maar ga je door de deur, dan vergeet je de desolate aanblik van een paar minuten eerder.

Rustig lopen met de plattegrond in de hand, die ik overigens nooit gebruik, maar die je bij binnenkomst aangereikt krijgt. Bekende en onbekende galeriehouders met aantrekkelijke kunst of kleurpanelen en objecten, die je liever snel voorbijloopt. Ik meldde me bij de Galerie die mij sinds jaar en dag vrijkaarten stuurt. In ruil leverde ik mijn gedichtenbundel die net uitgekomen was.

Bij de volgende galerie trof ik een bekend beeld, een meisjes torso van Eja Siepman van den Berg, zonder twijfel. Ik sprak de man in de stand aan over dit beeld. Hij bleek zelf ook kunstenaar te zijn en toonde mij na enig aarzelen zijn kunst. Bijzondere koperwerken en schilderijen met voor mij niet direct begrijpelijke kunst. Ik vroeg hem zijn werk te duiden: dat deed hij met passie en zachte stem. Ik sprak hier met een Irakese man, die enige jaren terug via verschillende landen inclusief gevangenissen uiteindelijk in Nieuwegein zijn nieuwe thuis had gevonden. ‘Ja Nieuwegein, heel mooi en rustig!’ Na uitleg van zijn werk vroeg hij naar mijn werk. Na jarenlang PR achter mijn naam te zetten, kies ik nu voor dichter en verhalenverteller. Hij was nieuwsgierig: daar hou ik van. Zonder nieuwsgierigheid geen voortgang!

Het gesprek duurde al een aantal minuten toen er koffie voor mijn gesprekspartner neergezet werd. Een dame kwam even later vertellen dat zijn koffie koud werd. Het deerde hem in het geheel niet. ‘Ja, koude koffie, ook lekker’ was zijn rustige reactie. We spraken over kunst, culturen, werken en genieten, over onderwijs, literatuur, Irakese gevangenissen en dichters. Hij was docent geweest aan de kunstacademie in Bagdad en had de stad door omstandigheden moeten verlaten.

Bij ons afscheid beloofde ik hem een gedichtenbundel te sturen.

Vorige week ontving ik een envelop met een prachtig kunstwerkje. Het was een getekende kopie van een van zijn grotere kunstwerken, die hij mij uitgelegd had. De kleine friemeltjes/tekeningen verwezen naar de aanwijzingen die zijn moeder gaf aan haar kinderen. Zij was analfabeet en communiceerde door middel van kleine tekeningen. Dat werden prachtige kleurige herinneringen in zijn bijzondere werk. Nu voor mij, in het klein met een teder gedicht!

© els van dinteren

 

Qassim

Sehen…

hoorde ik hem meerdere keren zeggen. “Sehen müssen wir, das ist wichtig. Nicht nur nach uns selbst, auch nach unserer Umgebung.”

Geboeid tot de laatste minuut zag ik weer de documentaire (NDR) ooit opgenomen in Museum Boijmans van Beuningen, met als enige persoon Oskar Kokoschka. Hij nam plaats in zijn stoel, vergezeld van een glas whisky. De voice-over begint met een korte CV: een aantal jaartallen en plaatsen. Hij nam het woord en vond deze informatie niet van belang. Het gaat niet om cijfers. Hij begint en vertelt uitgebreid over zijn jeugd en de boeken die hij van zijn vader kreeg. Allereerst een boek over Homerus, (het belang van de Griekse cultuur) dat hij later aanhaalt in zijn verhaal als hij over ‘zijn’ plaats in de kunstgeschiedenis vertelt en het tweede boek van Comenius, Via Lucis, dat een cruciale rol in zijn leven speelde. Het boek met de mooie plaatjes en daaronder het schrift ter aanvulling. Kokoschka is een aangename verteller, maar hij is ook een bekwaam docent, tekenaar en schilder. In zijn verhaal dat een uur duurt, komt hij tevoorschijn als een rebel en humanist. In zijn latere jeugd die hij doorbrengt in Wenen ontmoet hij bekende kunstenaars: schrijvers, dichters, architecten, waaronder Adolf Loos, die zichzelf geen architect noemt, maar metselaar. Wel geestig om dit verhaal te horen: Loos was een van de grote vernieuwers in de Weense architectuur en heeft veel over zich afgeroepen, niet alleen in die tijd, maar nog steeds. Kokoschka sloot zich aan bij de vernieuwers van de Wiener Werkstaette, en het was Loos die uiteindelijk de niet verkochte tekeningen en schilderijen van Kokoschka aankocht. Hij was zijn mecenas. Zo hielp hij hem aan geld, maar werd gelijker tijd een van de grootste verzamelaars van zijn werk. In Wenen waren natuurlijk voor- en tegenstanders: vernieuwing in de kunst was niet gewenst. Als jonge arme kunstenaar maakt hij twee boekjes, gedichten die werden voorzien van kleurige prenten. Hij tekent en schildert in aquatinten; teder en kwetsbaar en door de bevolking als ‘verwerpelijk’ ontvangen.

Hij leert Alma Mahler kennen en zoals vele mannen in het mondaine Wenen werd hij verliefd op haar. Ze waren vijf jaar samen, zij verliet hem voor Gropius (Bauhaus). Hij vertelt op een bijzondere wijze over de eerste wereldoorlog, werd soldaat, meldde zich vrijwillig aan, en kwam zwaargewond terug.  Hier volgt een uitvoerige beschrijving van hoe de mens ontaardt door het geweld. Het beeld van ‘de mens’ komt steeds weer naar voren; de mens, het bewustzijn en het handelen. Hij vraagt zich meerdere keren af: “Wer bin ich”, en kijkt dan verlegen in de camera, neemt een slokje en gaat verder zonder ons los te laten. In zijn schilderijen beeldt hij de immense natuur uit, maar altijd vanuit het perspectief van de mens. Op een van zijn schilderijen uit een latere periode, schildert Kokoschka zijn vriend Masaryck, president van Tsjecho-Slowakije. Naast hem staat Comenius, de pedagoog, filosoof, Tsjech, met het beroemde boek dat in het leven van Kokoschka zo’n belangrijke rol speelde, in de hand. Kokoschka was ‘een volgeling’ van Comenius en heeft veel aandacht voor het doceren aan kinderen. Dit thema komt meerdere keren terug in de documentaire. De meester, docent, tekenaar, schilder, dichter. Der Mensch Kokoschka.

Een aangename bijkomstigheid: Kokoschka spreekt Duits, met Weense tong, de taal die ik versta en mij het gevoel geeft dicht bij hem te staan. De beelden die ik heb ‘meegekregen’ bij mijn bezoeken. Een vorm van thuiskomen: herkenning, emotie, rijkdom!

 

© els van dinteren

Zondagmorgen

Het was een regenachtige nacht met veel wind en onrust. Het had geen zin lang te blijven liggen en te wachten op verbetering. De boekenkast brengt altijd uitkomst. Ondanks wind en wolken ging het raam wijd open en het ordenen kon beginnen. De plank met geleende kunstboeken en poëzie was aan de beurt. Ik zocht een paar tasjes en verpakte de terugbrengexemplaren zorgvuldig.

Het grote kunstboek nam ik nog even door: even duurde inmiddels al meer dan een half uur. Trek in een dubbele espresso met croissant. Hier werden mijn regelmatige wandelingen verpakt in zachtgroene landschappen: de Drentse Aa in breekbare verstilde schoonheid. Berend Groen, kunstenaar uit Zeijen.

Na ontbijt met muziek pakte ik de fiets en bracht het boek terug naar de rechtmatige eigenaren; een fietsafstand van tien minuten. De wind was gewillig. Gelijktijdig met de kennis dat het op de terugweg anders zou zijn. De eigenaren waren niet thuis; ik zette het boek in een kinderzitje in de schuur/fietsenopslag en inspecteerde de tuin, rook aan de weelderige verse kruiden en werd daarbij gehinderd door een wat aanstellerige poes met drie poten, die zich wentelde in aandacht en nog meer poezengedoe. Ik riep nog even: ‘Doe even gewoon poes, zo is het wel genoeg.’

De fietstocht terug verliep voorspoedig, er werd iets harder getrapt. Zo kwam ik aan bij het stoplicht kruising Rolderstraat/Fabriciusstraat en wachtte voor het stoplicht. Eindelijk ging het op groen, ik stapte op en reed diagonaal richting Doevenkamp. Midden op het kruispunt fietste ik achteloos langs een boek dat daar lag. Een paar meter verderop realiseerde ik me, dat de auto’s het boek zouden verpletteren; dus afstappen, keren met de fiets aan de hand en terug naar het middelpunt/kruispunt. Natuurlijk houden stoplichten daar geen rekening mee, dus alles begon te rijden en daar stond ik. Met het boek in de hand riep ik zwaaiend naar de auto die mij rustig naderde: ’RED HET BOEK!’ en vervolgde mijn tocht naar huis. Daar zag ik pas de titel van het boekje, dat ik had gered van de walsende autobanden. Rinkel de Kinkel, van Martine Bijl. Een boek dat ik nooit gekocht had, maar na deze reddingsactie zal ik het lezen met in mijn achterhoofd de chaos die had kunnen ontstaan door de verkeersveiligheid met een flinke korrel zout te nemen om een boek te redden. Rinkel de kinkel, gelukkig (nog) niet voor mij.

 

© els van dinteren

 

Tehuis voor Wachtenden

Ongeveer vijfenvijftig jaar schat ik haar: gekleed in een bont gebloemde legging met daaronder grote sportschoenen en daarboven een korte roze rok en een bruine vale blouse;  haar grijze haar kort geknipt en een gezicht met ingevallen wangen en grote blauwe ogen. Zonder aarzeling loopt ze op me af; ze wekt de indruk dat ze mij een prangende vraag gaat stellen.

’Loopt u ook zo graag over het perron, ik vind het fijn de komende en gaande mensen te zien, vooral de komende mensen bij de treinen, ik wacht op mijn zuster, ze zit in de trein, maar ik hoorde net omroepen dat die niet komt, er is weer iets mis tussen Zwolle en Assen: een dier zeggen ze maar het kan voor het zelfde geld natuurlijk een mens zijn, dat vertellen ze je niet, je moet er toch niet aan denken hoe dat eruit ziet helemaal platgereden om van de spetters maar niet te spreken of zo’n arm dier zo zielig….mijn hond is ook doodgereden ik heb hem begraven, hij was wel oud maar hoefde van mij nog lang niet dood, ik hoop maar dat m’n zus alleen is zonder die vent die mag ik niet en hij mij trouwens ook niet hoor…. maar ze zal wel alleen zijn ze heeft er niets over gezegd.’

We liepen samen een stukje op en neer op het rustige perron. ‘Het waait hier altijd en je mag hier ook niet roken alleen bij die paal; belachelijk wie heeft er godverdomme nou last van die rook, mijn zuster rookt ook maar die vent van haar niet die heeft een hekel aan roken en vindt dat het stinkt; hij heeft overal een hekel aan: aan roken aan afwassen aan boodschappen doen en koken kan hij ook niet ik vraag me af wat ze met die vent wil en wat ie wèl kan nou ja daar kan je je wel wat bij voorstellen hè, maar dat wil mijn zuster dan weer niet zo blijft het toch ’n gedoe met zo’n vent.’

Gelukkig kwam mijn trein binnenrijden en moest ik afscheid van haar nemen. Voor ik instapte keek ik of haar zuster met of zonder die vent uitstapte, maar er was niemand die op haar afliep. Misschien kwamen ze een trein later of had die vent besloten dat ze niet zouden gaan.

Vanuit mijn coupé zag ik dat ze een sjekkie aanstak en rustig het perron verliet. Ze liep naar de overkant, daar woont ze waarschijnlijk in het tehuis voor wachtenden.

 

 

© els van dinteren

‘Is het gepermitteerd…

dat ik mijn bord aflik’, vroeg hij zeer geaffecteerd. De gastheer keek er niet van op, gaf onmiddellijk toestemming en nam zelf ook zijn bord ter hand. De beide mannen likten voorzichtig met een serieus gezicht hun bord schoon, plaatsten het terug op tafel, pakten het servet en depten hun mond. De omstanders -vrienden en vriendinnen- hadden ook heerlijk gegeten, ze lachten niet en vertrokken geen spier, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Hij, de ‘vrager’ was gast en op bezoek vanuit Canada. De oorlogsjaren had hij in het Jappenkamp doorgebracht, samen met zijn ouders. Op 14-jarige leeftijd was hij alleen naar Nederland gekomen om zijn school af te maken en bleef vervolgens in Nederland om te studeren. Tijdelijk woonde hij in een pleeggezin in Friesland, samen met andere kinderen met eenzelfde achtergrond. Hij had iets ‘overgehouden’ aan het kamp: het had te maken met eten. Aan de ontbijttafel werden geregeld alle broodkruimels bijeengeschraapt. Die stopte hij vervolgens in zijn zak. Soms liep hij er mee naar buiten; hij had altijd een klein plastic zakje bij zich voor ‘onderweg een hapje’. Ik had dat nog niet eerder gezien, maar zijn vrouw vertelde dat het erger was geworden, naarmate hij ouder werd.
Deze avond waren we met vrienden om gezamenlijk een Marokkaanse Pastilla te eten: een hartige taart met gedroogde vruchten, noten, groente en Marokkaanse kruiden, afgedekt met filodeeg en ruim gepoederd met suiker. Gemaakt door de andere oudere man. Ook hij had de oorlog meegemaakt, maar als jonge jongen in Amsterdam. Hij kon smakelijk vertellen over wat er in de vuilnisbakken te vinden was. Beide mannen wisten wat honger was en hadden dezelfde ‘afwijking’: nooit iets eetbaars weggooien! Een doodzonde! Als het eten heel lekker is mag je je bord aflikken!

Ze bleven de jongens die zij vroeger al waren.

De volgende dag logeerden we in het boshuis, waar een grote voederplek voor vogels en reeën is. Daar worden regelmatig broodresten neergelegd. Soms komt de eekhoorn, maar over het algemeen zijn het de vogels die weten waar ze eten moeten halen. Nu liep onze gast naar buiten en keek peinzend naar wat er op de voedertafel lag. Hij aarzelde niet en begon rustig te eten. Vanuit de kamer zagen we het gebeuren; hij was de concurrent van de vogels geworden: hij nam het ervan. Een deel van het voer stak hij weer in zijn zak, keek naar binnen en vroeg: ‘Wanneer gaan we fietsen?’ Het duurde niet lang, of al fietsend at hij zijn plastic zakje leeg. ‘Lekker hoor, die vogels worden bij jou maar verwend‘, sprak hij deftig met volle mond. Hij lachte satanisch en zette de grote versnelling op. Hij ging er vandoor en bij het eerstvolgende restaurant bestelde hij uitgebreid koffie met gebak: ‘Voor de broodnodige afwisseling.

Lusten jullie ook wat?’

 

© els van dinteren

Kastanje

In het parkje voor mijn huis stond een grote oude kastanjeboom. Ik besloot ooit -tijdelijk- achter deze boom te gaan wonen. Jaren geleden, tijdens de kastanje-ziekte vond de gemeente dat de boom weg moest. Er zou een nieuw exemplaar worden geplaatst. Er was wel e.e.a. aan vooraf gegaan. De boom had een verhaal. Een buurtbewoner vertelde ooit, dat hij als heel klein jongetje de boom samen met zijn vader had gepland. Hij was inmiddels 76 jaar en de boom moest er volgens hem wel zo’n 73 jaar staan. Waar ik nu woon was vroeger zijn achtertuin met de fietsenwerkplaats van zijn vader. Midden in de stad. Hij vroeg of hij de boom en de omgeving van bovenaf mocht bekijken. We namen samen de trappen en kwamen na 45 treden uit op mijn dakterras. De boom stond in volle bloei en had nog nooit zoveel kaarsen gehad als dat jaar. Hij mijmerde wat en vertelde over zijn vader, die zo van bomen hield. Hij zelf bleek meer van vrouwen te houden. Snel weer de trappen af!

Mijn statige kastanjeboom had al jaren voor ‘redelijk veel overlast’ gezorgd. In de herfst viel er veel blad en dan waren er ook nog die lastige kinderen, die kastanjes kwamen zoeken. Er zijn mensen die niet van herfst houden en daar heel chagrijnig van worden. Voor een van de bewoners was het zoveel overlast, dat hij rondbazuinde: ‘Ik pis iedere avond tegen die rot boom, dan begeeft hij het vanzelf.’ Ik riep nog dat het een ZIJ was, maar dat maakte hem niet uit.

Op een onverwacht moment werd er langs de buitentrap een metalen leuning geplaatst. Het bleek dat de buurman een been zou moeten missen en zonder hulp van de leuning de trap niet meer kon nemen. Ik maakte me grote zorgen en vroeg me af hoe het dan met het dagelijks pissen zou gaan.
Op een been valt te leven, maar na enige tijd kreeg hij last van zijn andere been.

Hij stierf beenloos.

De kastanje stond er nog enkele maanden; daarna was het ook met de boom gedaan. In de herfst werd er afscheid genomen. De statige kastanje veranderde in een enorme berg stookhout.
Het deed pijn!

Nadat de grond gereinigd was werd er een mooie jonge kastanjeboom geplaatst. Inmiddels reikt deze ook tot ver boven het dakterras en draagt -zoals haar voorgangster- in het voorjaar honderden kaarsen. Ik geniet van heerlijk lichtgroen gefilterd licht in mijn woonkamer.

Een handje oude kastanjes plantte ik op drie verschillende plaatsen in mijn bostuin. Ze doen het goed en geven een aangename herinnering aan de statige oude boom, waaruit ze voortgekomen zijn.

Gisteren zag ik -na jaren wachten- de eerste knop van een kaars verschijnen.

Er is altijd weer hoop!

 

© els van dinteren

‘Wandelen heeft ons lichter gemaakt’

Al jarenlang verbaas ik me over de vertellende wandelaars, die ik hoor en voorbij zie gaan op het bospad. Ze praten vaak zeer luid. Dat komt waarschijnlijk omdat het verder heel stil is. Het bos ‘draagt’, zoals ook water sterk resoneert.

Ik hoor flarden van verhalen: vaak hilarisch, soms mededeelzaam, maar meestal vertrouwd en intiem van toon. De column van Erdal Balci in de Volkskrant (9/3/21) geeft uitkomst.

(…) “Niet zo lang geleden wandelde ik met een dierbare vriendin in Amsterdam. Haar lichaam moet ook na bijna een jaar na de coronabesmetting vechten om weer helemaal de oude te worden. We zouden het dus kort houden. Maar twee uur later praatten we nog steeds, de kleine wolkjes van haar adem als blije getuigen van haar openhartigheid over haar persoon. Ik besefte dat we, na al die jaren dat we elkaar kennen, bij onze allereerste wandeling echte vrienden zijn geworden.

Ik begreep die middag dat mensen die lang genoeg hebben gelopen, niet anders kunnen dan hun ziel blootleggen. Tijdens zo’n wandeling is de wens de verzwegen geschiedenis uit te spreken sterker dan alles wat hem wil verhullen. Je metgezel is het waard het mee te delen. Alleen met de persoon die het waard is om je vriend te zijn, been je lange uren mee.

Niet zelden heb ik me afgevraagd hoe het kon dat personen die honderden jaren geleden hebben geleefd en niet eens de kennis over lichaam en de natuur hadden van een doorsneebasisschoolleerling van nu zulke grote meesterwerken hebben kunnen schrijven. Ik wandelde veel in de pandemiemaanden, ik vergezelde vrienden tijdens hun wandelingen en weet nu het antwoord op die vraag: ze deden hun hele leven lang waar wij sinds de pandemie enigszins mee zijn begonnen.

Onder de wandelaars van voorheen waren Cervantes, Beethoven, Dante en alle andere grote van geest. Wandelen is een expeditie naar de diepste krochten van het innerlijk. Laat je vergezellen door iemand anders dan is wandelen tevens een zoektocht naar de ziel van de metgezel. Je loopt dan als het ware richting een eerlijk verhaal, dicht bij de kern van de persoon die je bent. Op een hele andere manier dan met de gekkigheid waarvoor onze generaties zo enthousiast zijn gemaakt.

Wandelen is de tegenhanger van de commercie. Het heeft geen boodschap aan de duizend clichés van het ontdek-jezelf proza. Wandelen is de natuur, het heeft geen vooropgezet plan. Het reikt je geen vaste formules aan. Het is je eigen reis, je eigen avontuur.

We gaan dus straks een ander land krijgen, omdat er zo veel mensen dankzij het virus weer hebben leren wandelen. Want, zolang de wandeling niet wordt gedaan vanuit het banale oogpunt van conditieopbouw of afvallen, dan zorgt die niet alleen voor het ontstaan van hechte vriendschappen, maar is ze ook een daad van bevrijding. We zijn getraind om het geluid van onze ketenen niet te horen en geloof me, bij iedere nieuwe lange wandeling klinkt het metaal harder en harder, om ons te herinneren wie de nieuwe slaaf is en wie de eigenaar.

De auto, het vliegtuig en de trein hebben niet alleen de afstand kleiner gemaakt, ze hebben ook een streep gehaald door de tijd dat we oog in oog stonden met onszelf. De nieuwe mens heeft niet de tijd om de beste vragen te formuleren en die vragen aan zichzelf of aan de medewandelaars te stellen. In een paar eeuwen zijn we veranderd in een soort die liefde en genegenheid wil, maar nooit kan stilstaan bij de vraag of we ons als mens hebben ontwikkeld tot een persoon die het waard is om geliefd te zijn.

Maar dankzij het virus lopen we weer. Bij mooi en minder weer. En het kan niet anders of al dat wandelen heeft ons ‘lichter’ gemaakt dan voorheen. Een wandelaar komt namelijk tot het besef dat we op aarde zijn om schoonheid te creëren en dat elke andere ambitie te zwaar weegt.

Het virus kwam en iedereen wandelt nu door de fraaie straten en prachtige parken van Nederland. De kleur van de polder is een andere.”

Geen droom

Geen droom

In het vleeswaren-vak bij AH zag ik een pakje rundertong liggen. Onmiddellijk dacht ik aan mijn moeder, die zo van orgaanvlees hield. Deze voorliefde heeft ze aan mij doorgegeven: lever, tong, hartjes, niertjes. Vaak eet ik het alleen: de meeste mensen houden er niet van. Ze roepen: ‘niertjes, de geur alleen al!’ Ik nam een broodje en belegde het ruimvoldoende: orgaanvlees blijft kort fris, dus niet te zuinig.

De dag verliep aangenaam: ik verzamelde eikenblad in de bostuin om de narcissen wat meer lucht te geven. In de middag telde ik het aantal kruiwagens, die ik in de wal had gekiept. Tien. Het werk is aangenaam maar vermoeiend. Vroeg in de avond ging ik liggen en keek naar een Franse film op Arte: In therapie. Vijf korte stukken van 40 minuten, waarin een psychotherapeut -samen met zijn patiënt(-en) optreedt. In de eerste sessie zien we een jonge zelfbewuste vrouw met onduidelijke problemen, ook onduidelijk voor de therapeut: zij ondervroeg hém in plaats van andersom. Hij luisterde, keek vriendelijk maar onaangedaan. Na een kwartier constateerde hij, dat ze in haar gedrag niet veranderd was gezien de eerdere sessies. Zij was er dus al vaker geweest. Onverwacht stond ze op en bij de deur wilde zij hem kussen, maar ze bleef hangen op een afstand van vijf centimeter, omdat hij geen toenadering zocht. Hij leek versteend.

In het volgende deel zien we een vechtend echtpaar; jong en met een progressieve uitstraling. Ze namen plaats op de bank met een redelijke afstand van elkaar. Ze keken, ja, waar keken ze naar? Ze keken in de toekomst die totaal onduidelijk was. De therapeut moest onverwacht even de kamer verlaten om voor zijn zieke zoon te zorgen die op de bank in de huiskamer lag. Het duurde even, hij liet een en ander uit zijn handen vallen en vloog snel terug naar zijn behandelkamer. Het echtpaar in ontbinding was boos en vroeg of hij die ontbrekende 10 minuten van de prijs af kon trekken. Hij bleef stoïcijns, vervolgde het gesprek, gaf vriendelijke antwoorden en zei dat hij ook niet wist hoe sommige zaken in een huwelijk opgelost konden worden. Zij gingen onverrichter zaken weg en maakten een afspraak voor een volgende sessie.

Het zieke kind zeurde om zijn moeder, die voor enkele dagen in het buitenland verbleef voor haar werk. Inmiddels was de bel gegaan voor de volgende klant: een man van midden dertig die de therapeut meer zag als gesprekspartner. Dat kan en mag natuurlijk ook. De minuten verliepen redelijk rustig en aangenaam.

Er volgde nog een deel met een hele jonge vrouw: zij was het leven meer dan zat. In dit gesprek moest de therapeut weer even zijn kamer verlaten: genoeg tijd voor de suïcidale vrouw om in een doosje te kijken dat op tafel stond. Pillen, heel veel diverse soorten pillen. Zij sloot het doosje, maar niet helemaal. Toen hij weer in de kamer terugkwam viel het hem op dat zij in zijn doosje had gekeken.

In de laatste 40 minuten zag ik de therapeut buiten voor een deur staan: hij droeg een lange regenjas en een linnen tasje met daarin wat boodschappen, waaronder een prei. Een mooie goedgeklede vrouw deed open. Ze begroetten elkaar vriendelijk, zoals Fransen dat doen, met een dubbele kus. Voor hij plaatsnam in de stoel vroeg hij haar een pakje in de koelkast te leggen. Nieuwsgierig vroeg ze: ‘Wat zit er in dat pakje’. ‘Een rundertong, die moet koel blijven’, sprak hij zachtjes.

Daarna nam zij hem onder de loep en vroeg hoe het met hem ging sinds de laatste keer. Wat er goed- en misging in zijn sessies. Hij vertelde over de slordigheid met zijn pillendoos: zijn cliënte had er gebruik van kunnen maken met alle gevolgen van dien. En over de jonge vrouw Amalie, die hem wilde kussen. Zijn verliefdheid speelde hem – na alle sessies met haar – nog steeds parten; hij wilde dolgraag met haar naar bed. Zijn therapeute wees hem zeer streng op zijn verantwoordelijkheid en zijn professionele belofte als therapeut. Hij keek wat voor zich uit en wilde weg. Ze vroeg waarom hij zweeg.

Plotseling gaf hij haar het oude recept van rundertong op z’n Italiaans. Een ingewikkeld recept van zachtjes koken, het vel van de tong afstropen, de zachte tong inleggen in zoetzuur met diverse geurige verse kruiden, daarna in dunne plakjes snijden en licht verwarmen in een saus van room en knoflook met een druppeltje worcestersaus.

Het recept van mijn moeder…

 

© els van dinteren

Handelingen

Vanmorgen was er op Radio 4 een oproep om beelden in de openbare ruimte -in je stad of dorp- door te geven op de mail of de app. De presentator zal de interessante voorbeelden uitkiezen en met deskundigen in een programmaonderdeel bespreken.
Ik was onderweg en kon direct twee buitenbeelden in mijn directe omgeving bedenken, maar ik belde niet. Een beeld van Klaas Gubbels in de achtertuin van het Drents museum, aan de kant van de Zuidersingel: een echte Gubbels, gesneden uit een roestige plaat cortenstaal. Het andere beeld is van hout en niet interessant. Maar er gebeurde meer; er kon door de luisteraars gebeld worden over een ‘voorbeeld’.

Voor de ingang van de Belvedère in Wenen liggen -sinds jaar en dag- twee grote witte Sfinxen: een links en een rechts van de imposante paleisingang. Als onderdeel van een architectuurreis bezochten we -onder andere- één van de stadspaleizen van de voormalige Keizer. Een oud statig gebouw, dat al jaren dient als museum, waar ‘moderne’ kunst vooral uit het begin van de twintigste eeuw te zien is: Klimt, Kokoschka, Schiele en vele anderen.

Onze groep bestond uit 14 mannen en drie vrouwen. De mannen liepen voorop richting de sfinxen. De man met de grootste snor en een iets te rode broek stak zijn hand richting de sfinxborst en had de lachers op zijn hand. Tot mijn verbazing volgde -weliswaar schoorvoetend- een groot deel van de groepsleden het aanrakingsproces.

De sfinxborsten waren -zo te zien- al eerder betast: rond de tepels was een smoezelig grijs ontstaan. De vrouwen uit de groep stonden erbij en keken ernaar, met een lichte gêne. De uren daarvoor hadden we serieuze inleidingen aangehoord en pittige gesprekken gevoerd over sociale woningbouw. Nu gingen de heren even los. Er werden foto’s gemaakt voor thuis.

Om vast te stellen hoe de sfinxborsten er vandaag uitzien keek ik even op Internet: grauw! Ik hoorde van een kenner dat de borsten regelmatig schoon geschrobd moeten worden.

Inmiddels kwamen in het radioprogramma enkele voorbeelden uit de openbare ruimte langs. Een man uit Zwolle belde met het voorbeeld van de naakte man: een beeld van Rodin (waarschijnlijk een kopie) in de tuin van het museum De Fundatie. Het levensgrote beeld is in brons gegoten en staat op een kleine sokkel en is voorzien van een prachtig zacht patina. Aan hem is te zien dat er veel belangstelling is of in ieder geval was. Op de hoogte van zijn geslacht zijn de handjes losgegaan. Bij zonlicht schijnt zijn pielenmuisje glanzend goudkleurig.

De volgende trip staat gepland: op naar Zwolle met een groep van 14 vrouwen en drie mannen. Kijken wat er gebeurt.

 

© els van dinteren

Voer voor (vogel-)psychologen

Waarom het gebeurde weet ik niet, maar ik voelde een sterkte drang om me te verplaatsen. Weliswaar niet per voet, maar met mijn kleine snelle Japanner. De laatste dagen was het nauwelijks mogelijk om buiten te zijn, maar vanmorgen scheen de zon en moest het ervan komen. Ik pakte de sneeuwschuiver -die dienst moet doen- en startte de auto. De weg tot het dorp was goed te begaan, maar het bospad was nauwelijks bereden, dus voorzichtigheid was geboden.

De auto liet ik aan het bospad staan en baande met de sneeuwschuiver een pad naar de voordeur, die verscholen was achter een duin van stuifsneeuw. Met een paar vegen zag ik het slot, dat niet bevroren was. Binnen gaf de thermometer -5 graden aan, maar de houtkachel doet wonderen.

Inmiddels had ik mijn keurig ingepakte olijfboom geïnspecteerd. De verpakking leek te voldoen, maar dat weet je pas bij dooi. Ik haalde wat extra hout en maakte de vogeltafel sneeuwvrij. Was er eigenlijk wel eten voor de vogels? Bij inspectie van de kleine koelkast vond ik een halve weihnachtsstol en een pot ganzenvet, overgebleven van de confit de canard. Is het niet gek dat eenden in ganzenvet liggen? Het potje met vet werd op de vogeltafel gezet.

Vooralsnog was er geen vogel te zien, dus gooide ik nog een stuk hout op de kachel en las de krant, die ondank het slechte weer toch aangekomen was. Nog geen 5 minuten later kwam de eerste mees aanvliegen en stortte zich op de ruime voorraad kerstbrood. Het moet deze mees als een idiote overdaad zijn voorgekomen. Of denken vogels niet? Brood, spijs, noten, krenten en rozijnen. Daarna vloog hij weg met een brood -groter dan zijn omvang- in zijn bek. Even later kwam de rest aanzetten.

Waar komen die vogels vandaan? Waar wonen ze? Hoe weten ze van het voer? Heeft die ene mees dat doorgegeven? Inmiddels telde ik 6 verschillende soorten: allemaal vechtersbazen. De roodborst, die er altijd als eerste is, was nu aan de late kant. Maar zoals altijd was hij weer haantje de voorste. Macho-vogeltje…

In de krant las ik een column van een thuisverzorger: een man die bij mensen schoonmaakt, stof afneemt en boodschappen doet. Een verhaal over een luiwagen. Wie weet nog wat dat is? Daar ging het ook over: woorden en dingen die verdwijnen. Hij noemde dit een Proustiaanse herinnering, waarbij ik weer dacht aan Madeleines.

Ik luisterde bij de kachel naar Beethoven: eerst de rustige werken, waaronder ‘Ich liebe Dich’, engelachtig gezongen en Für Elise: aardig dat er iemand aan je denkt! Daarna wat strijkkwartetten.

Nu ging de knop op sterkte. De finale uit de 7e Symfonie, met veel hoorngeblaas en nog meer pauken. Het fascinerende ritme van de paukenslagen… zo modern! Daar moet Beethoven in zijn Weense huis gedacht hebben: Ik zal jullie vandaag eens een ander Weens poepie laten ruiken.

 

© els van dinteren

PS

vandaag zou je jarig zijn: je was er even, bij de laatste paukenslag…

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!