l Verhalen – Page 2 – Els van Dinteren
Close

Zoete verleiding

Het loopt tegen Pasen en dan moeten we anders eten. Boter zit niet meer in een pakje, maar is gevormd tot een lammetje in plastic verpakking. Kleine aardappels liggen verpakt in folie met truffelboter en geurige kruiden. Eieren zijn te vinden in allerlei uitvoeringen en maten: hartig en zoetig. Het assortiment vleeswaren en kazen is oneindig uitgebreid.

Ik dacht even aan de Mattheus Passion en de opstanding van de Heer, maar dat lijkt hier niet van toepassing. De winkel waar ik dagelijks inkopen doe speelt in op de komende feestdagen. Ze zijn op alles voorbereid. Het zal ons aan niets ontbreken. Bij het schap van de toetjes moet ik even wachten. Er staat een ouder echtpaar met een karretje. Hij roep: “Ja, deze wil ik graag”, en zij antwoordt: “Nee, dat doen we niet, niet goed voor je hart.” Hij is een kleine man met een kaal hoofd en guitige ogen. Hij draagt klompen en lijkt zo weggelopen van zijn boerenbedrijf. Zij is grijs, niet alleen van haar, maar helemaal. Hij probeert het nog een keer en kijkt in een buikvormige glas met rode kersen. Zij laat zich niet afleiden en pakt een pot havermoutpap en leest aandachtig het etiket. Ik pak ook zo’n pot kersen: het zijn Amarene-kersen, zure gekonfijte kersen op zware siroop. Ze komen uit Italië en zijn bijna nooit te krijgen, alleen rond de feestdagen. Een delicatesse voor bijzondere recepten, zoals een semifreddo: een heerlijk ijsgerecht. Maar ook goed voor allerlei andere desserts.

“Hoe eet u deze?” vraagt de man. Ik vertel hem dat ik ze eet met kwark of met cake en slagroom. Zij kijkt me verwijtend aan. “Maar u kunt thuis ook gewoon het potje opendraaien, een lepeltje pakken en er één of twee proeven.”  Zijn kraaloogjes worden glimmend en zijn mond lacht over de hele breedte van zijn gezicht. “Nee”, zegt zij. “Ik betaal het zelf” roept hij en houdt de pot kersen tegen zijn borst. Ik wens hem succes en loop door voor mijn andere boodschappen.

Bij de kassa staan ze voor mij: eerst de vrouw met haar boodschappen. Zij legt demonstratief een ‘houtje’ tussen haar en zijn aankopen. Als zij betaald heeft is hij aan de beurt. Een pot Amarene-kersen, een emmertje Turkse kwark en een spuitbus met slagroom betaalt hij met een briefje van 10 euro. Hij houdt genoeg over voor een ijsje.

Bij het naar buiten gaan kijkt hij nog even achter haar rug om en schudt zijn hand langs zijn rode rechterwang heen en weer: Mmmmmm…heeeeerlijk!

© Els van Dinteren

Ondergrondse kunst

Tokkel.

Onder mijn huis bevindt zich een kleine parkeerplaats, die twee straten en een parkje met elkaar verbindt. Onlangs heeft er een langdurige renovatie plaatsgevonden: er is eindelijk meer verlichting, alle wanden zijn schoongemaakt en van duikboot-grijze verf voorzien: alles graffiti-proef! Er is ook nieuwe bestrating aangebracht. Maar dat is niet alles: de bewoners hadden inspraak bij het tot stand komen van twee kunstwerken: één op de rechter en een op de tegenovergestelde wand. Jammer genoeg heeft niet iedereen meegewerkt. Er heerste een diverse sfeer: ‘Kunst op de parkeerplaats, wat ’n onzin!’ Toch kwamen er enkele ideeën binnen. Er werd een keuze gemaakt voor één modern en één traditioneel werk. Dat resulteerde in een gezapig stadsgezicht met op de voorgrond onze vertrouwde Bartje, uitgevoerd in diverse sferen grijs tot en met diepzwart. De bruine bonen denken we er zelf wel bij. Het andere kunstwerk droeg al snel een controversieel thema: het was een karakteristiek portret van de overleden Asser stadszwerver en muzikant Tokkel. Met de familieleden van de overledene was contact opgenomen. Zij waren zeer content met het voorstel hem te vereeuwigen als stadskunstwerk in de openbare ruimte.

De corporatie-schilder had er zijn hele creatieve passie ingeworpen: het resultaat zag er prachtig uit, na dagen werken inclusief het incasseren van diverse opmerkingen. Weliswaar was het ook opgetrokken in dezelfde saaie tinten, maar voorzien van een zwierige streek en een sluikse glimlach. Tokkel kijkt ons vanaf zijn muur ondeugend aan, zoals we hem hebben gekend. Hij was nog niet droog of daar kwamen de eerste bezoekers kijken: Tokkel had ook postuum de krant gehaald.

Natuurlijk bleven de scheldkanonnades niet uit: ‘Wat moet die schoft op onze muur? Waarom een zwerver die tot zijn dood van de maatschappij geprofiteerd heeft. Belachelijk!’
De verbale creativiteit van enkele buurtbewoners loog er niet om. Ik lied overigens luid en duidelijk weten het een prachtig karakteristiek portret te vinden. Inmiddels is het rumoer gezakt.
Tokkel was eerder bekend als een goed gitarist en zanger, die langzaam verviel tot een slordige sterkgeurige drugsverslaafde. Iedereen die hij tegenkwam vroeg hij om geld. Dat kreeg hij meestal: hij hoorde bij het stadsbeeld.  Ondanks alles bleef hij een aardig mens. Voor vrouwen die hij leuk vond had hij de volgende tekst: ‘Meisje wil je even met me neuken…het kost maar een gulden.’

Deze tekst zal mening meisje -jong en oud- niet vergeten zijn. Er werd vooral door ‘de meisjes’ om gelachen, maar geen gebruik van zijn genereuze aanbod gemaakt. Nu is hij vereeuwigd op de muur onder mijn huis, de ondeugende man met zijn ontwapende lach.

Gisteravond parkeerde ik mijn auto naast zijn grote portret. Ik groette hem. Er lag een rode roos, die prachtig afstak tegen het geheel. Ik verwacht meer bloemen, beertjes en andere zachte pluisdieren.

Als die komen…ik zal ze zeker niet opruimen!

© tekst en foto evd150419/250320

Voorjaarsdans

Beeld:  waterman, houtdruk, ncmd/canada ‘72

Vanuit het niets hoor ik de zachte tonen van een rustige wals. Er is geen orkest en ook geen radio. De muziek zit in mijn hoofd of hoor ik het zoals toen, lang geleden, in de baarmoeder. Zachte trillingen door de buikwand die zich nestelden in mijn brein?

De klanken worden luider, daar verschijn jij, licht bewegend in mijn richting. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is lopen we elkaar tegemoet, omarmen elkaar voorzichtig en draaien als volleerde dansers in dezelfde richting. Jij neemt de leiding -dat doe je prettig- ik beweeg met je mee. Godzijdank heb ik mijn hakken aan, dat danst hoger. Zo kan ik mijn hoofd tegen je hals leggen, voor een beter evenwicht. Je vindt het goed en buigt voorover op de maat van de muziek. We dansen de zwaartekracht ver voorbij. Ik zweef, je laat mij rusten en tilt mij een stukje van de grond. Is er grond? We vliegen als kleurrijke vogels over de stad, zoals bij Chagall. Soms raken we los van elkaar, maar er is iets dat ons wonderlijk weer samenbrengt.

De stemming verandert, de wals wordt treuriger: een ‘valse triste’. Onze stijl past zich aan tot een Engelse wals -langzaam, voorzichtig, bewuster. De schoonheid blijft maar de blijdschap verandert in melancholieke troost. Boven de prachtige stad zweven we voorzichtig naar het grote park. Daar rusten we onder een witte sering. Het is heerlijk, ondanks de valse triste…als we elkaar net willen …is er een dissonante luide aanhoudende toon, hinderlijk hard, van een vreemde orde.

Ik moet weg. Wel heb ik de hakken aangehouden.

© els van dinteren

Blue suède shoes

Zware pijnstiller haal je gewoon met een herhaalrecept. Dat is de schokkende kop boven een artikel in de avondkrant. Niet dat het mij verbaasde, maar nu zag ik de omvang op een bijgaande grafiek. Rood,  Oxycodon: tussen de 400.000 en 500.000 gebruikers in 2018. Blij te zien dat ik ook ergens bij hoor. Maandenlang kreeg ik per dag, zonder te vragen en zonder enige uitleg, een handjevol Oxycodon, terwijl ik plat lag, rustig naar het plafond keek en me nauwelijks kon bewegen. De pijn nam af maar veroorzaakte een vorm van lethargie en ongekende ongeïnteresseerdheid: ik verkeerde midzomer bij vijfendertig graden Celsius in een merkwaardige winterslaap. Maandenlang werd ik gevoed met gif. In de periode van revalidatie, die na een ingewikkelde operatie volgde, werd nog kwistiger omgesprongen met het medicijn. Ik mocht zelfs de rol met maandvoorraad in eigen beheer aanwenden, mocht ik nog trek in iets extra’s hebben. Waarom? Omdat men vond dat ik het wel aankon…zo’n rolletje voorraad. Het was overigens makkelijk voor de overdrukke verpleging. Dat weigerde ik: de verpleging was -volgens mijn traag werkende geest- medeverantwoordelijk voor het toedienen van medicatie. Daarom kwam er -geheel tegen hun zin- vier keer per dag een verpleger/verpleegster om de pil te brengen, vaak met de mededeling ‘als u meer nodig heeft moet u maar even bellen…vooral in de nacht’. Daarvoor bestond nog een extra grote pil, die binnen een minuut onder de tong smolt en zorgde dat de pijn per omgaande  verdween. Die heb ik een paar keer gebruikt: heel lekker spul!

Bij controle was de eerste vraag van de neurochirurg: ‘Had u ook Cold Turkey bij de stopzetting van de medicatie?’ Het antwoord was NEE. ‘Oh, mevrouw, dan heeft u geluk gehad. Gefeliciteerd! U bent dus niet in het bezit van het verslavingsgen!

Ik moest hem teleurstellen en vertelde over mijn verslaving aan slagroom en koffie. Dat vond hij niet erg. Ik vroeg naar zijn verslaving. Hij vertelde dat die lag in handgemaakte Italiaanse suède schoenen.

We lachten wat en ik sprak mijn verontwaardiging uit over het ongekende Oxycodon-gebruik. Hij was het me mij eens, maar vond het voor de pijnbestrijding in mijn geval zeer gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft de troep hopelijk mijn lijf verlaten, samen met de pijn. Ik loop weer!

Hij is  vast en zeker naar Milaan afgereisd voor een paar nieuwe blauwe suède schoenen, mede gefinancierd door farmaceutische industrie en ongewild ook door mij.

© evd/080219

Echte liefde

Het kwam vooral door het kijken naar het werk van Richard Long, tentoongesteld in museum De Pont in Tilburg en uitvoerig aangekondigd in De Groene Amsterdammer. Het was zondagmiddag, Schuberts Forellen zwommen rustig door het boshuis, de zon scheen en het stenen kunstwerk in de tuin lag er na regen en wind wat slordig bij. Mijn eigen kunstwerk gemaakt naar Richard Long: Een grote ronde plaat van Corten-staal, in het midden één grote steen, omringd door een krans van kleine vuurstenen: geel en bruin, op een piédestal van hout. Per wandeling werd steeds maar één steen meegenomen. Zo ontstond na jaren een volledig kunstwerk. Ik rangschikte de stenen, verwijderde oud blad en maakte het geheel voorzichtig schoon: bijna eerbiedig. Waar kwam die emotie vandaan? Waarschijnlijk door herinnering, ontluikende natuur en de intense beschrijving van het werk van Richard Long. Zijn kunstwerken ontstaan tijdens zijn wandelingen, meestal erg lange wandelingen door het Engelse landschap. Het lopen ziet hij als kunst.
Mijn wandelingen zijn van kortere duur en ontaarden niet in uitbundige kunstwerken. De zanderige wandelpaden in het bos worden regelmatig geëgaliseerd, waarbij prachtige stenen -vooral vuurstenen- bovenkomen. Soms worden er kleine vuurstenen gevonden die half of geheel tot werktuigjes zijn bewerkt. Heel oud en heel bijzonder. Er is inmiddels een kleine verzameling ontstaan. Kinderen vragen vaak of ze uit het stenen tijdperk komen: Ja, natuurlijk!
Bijna dagelijks maakten we een wandeling: soms een ‘kleine om’, bij redelijk weer een ‘middelgrote om’, maar hij genoot het meest bij een ‘grote om’, waarbij we altijd los van elkaar liepen. De een snel van tred, de ander trager maar niet minder intens. Hij was thuis in de omgeving en sloeg vaak ook even rechts of links af. Meestal werd er op mij gewacht bij een splitsing. Ik liet me door hem nooit van de wijs brengen. Vaak kwamen we op het zelfde tijdstip weer thuis. Misschien hield hij me wel van een afstand in de gaten. Altijd was ik verrast en blij hem weer te zien: mijn grote blonde liefde.
Bij thuiskomst legde ik de gevonden steen in een bak water; stenen kleuren in water prachtig op. Eens op een onstuimige dag raakte ik hem kwijt: hij was weer eigenwijs en trok zijn eigen pad. Na wat roepen en fluiten kwam er geen reactie. Uren later en heel ongerust zag ik hem bij het huis rond scharrelen. Hij zocht mij. Ik vroeg waar hij geweest was. Hij keek me wat vragend aan. Ik wist toch dat ik op hem rekenen, hij liet me nooit in de steek!
Na veertien (maal zeven) jaar kon hij niet goed meer lopen. Er werd besloten dat hij ons heel veel plezier had gebracht en beslist niet mocht lijden. Trouw tot de laatste dag. Hij merkte dat er iets ging gebeuren en maakte een luid jankend geluid. Het afscheid was heftig maar snel. Er werd in de bostuin een diep gat gegraven: voorzichtig gewikkeld in het diepblauwe satijnen laken werd hij in zijn graf gelegd. Daarna werd hij toegedekt met humus, zachte bosgrond en sterrenmos.
Vandaag maakte ik het kunstwerk met de vuurstenen schoon. Daaronder ligt hij, al zeven jaar. De emotie is nog hetzelfde.
Ik durf geen andere hond meer te nemen: het afscheid en die veertien jaar, dat red ik niet.

© els van dinteren

Factotum

De groep Hongaarse kunstenaars had zich na uitvoerig overleg en volgens afspraak in het vakbondsgebouw verzameld, voorzien van een uitgebreide hoeveelheid drank. We telden twaalf mannen, de meesten met snor, baard of andere uitbundige haargroei. ‘Waar zijn de vrouwen?’ was de vraag die al snel op tafel kwam. De oudste in het gezelschap, de voorzitter, nam het woord: ‘Hongaarse vrouwen maken geen kunst, die werken bij ons in de keuken’. Hij had -zoals verwacht- een aantal lachers op zijn hand. We besloten na kort overleg de volgende dag terug te komen; zelfde tijd, zelfde plaats. Zij zouden zorgdragen voor een gezelschap van mannelijke en vrouwelijke kunstenaars; de Nederlandse subsidievoorwaarde voor internationale samenwerking. Voor ons, de initiatiefneemsters, was het tijd de mooie hoofdstad in te ruilen voor een tochtje naar de poesta.

De weg werd versperd door een kleine optocht: een kameel, een olifant en een paar apen aan de ketting, onder toeziend oog van een oude stalmeester. Het kleine circus was in het plattelandsdorp neergestreken. Een dikke dame zat pontificaal achter de kassa bij de ingang. Het houten huisje sloot als een strakke robe om haar heen. Haar beide armen lagen in ruststand. Bij het afscheuren van de entreekaartjes bewogen slechts haar vingers. Zij lachte ons vriendelijk toe. Enkele meters verderop was de kleine tent, met zitplaatsen die werden bezet door ouders, grootouders en vooral veel kinderen. Bij het optreden van de clown waren de kinderen opgewonden, vooral na zijn serie harde scheten. De clown wees een van de kinderen als dader aan. Hij gaf de schuld aan de moeder, die  waarschijnlijk te pittige goulash had gemaakt.

Nu verscheen de dikke dame. Ze had haar tickethuisje afgelegd en toonde zich in haar volle glorie. Haar roze tutu was groot en verlept, daarboven droeg ze een witte bh uit een ver verleden en een boa van struisvogelveren, die zij met veel bombarie omsloeg.  De strakke legging onder haar tutu vertoonde gaten en slijtageplekken. Toen ze zich naar het publiek boog was een deel van haar ondergoed te zien. Ze opende de oude koffer die ze bij zich droeg. Er verscheen een reuzegrote slang, een boa constrictor, groter dan de vrouw en vooral angstaanjagend voor het kleine publiek. Met een grote zwier sloeg ze het monster om haar hals en liep langs de eerste rij. Daarbij nodigde ze de kinderen uit het beest te aaien en liep daarna hard lachend terug. Enkele kinderen hadden zich uit angst onder hun zitplaats verschanst. Daarna ging de slang weer in de koffer en vertrok ze onder luid applaus achter de gordijnen.

Traag verscheen een zeer oude beer in de piste, samen met de vrouw, nu in tijgerpak. Om zijn achterpoten droeg het beest zware kettingen, maar hij was wel in staat kleine passen te nemen. Zijn rug was bedekt met kale plekken. Op haar bevel verhief hij zich op zijn achterpoten en keek daarbij lusteloos in het rond.  Het applaus werd door de dikke dame met een elegant danspasje in ontvangst genomen. Hoe lang zou deze arme beer het nog volhouden?  In de pauze bezochten de kinderen de beestenboel; de lucht was niet te harden, maar de gratis limonade verzachtte veel.

De clown trad na de pauze op als macho-messenwerper. Een bordkartonnen plaat werd met een spot belicht; er waren al enkele messen geworpen. Daar verscheen de dikke dame in een glimmende blauwe jurk voorzien van hele wijde mouwen. De man begeleidde haar naar haar plaats voor het ronde bord; ze spreidde gewillig haar armen. Hij eiste volstrekte stilte! Eén voor een wierp hij de messen, te beginnen aan haar linkerzijde en daarna rechts. Het ging goed, de zaal was gespannen en af en toe riep iemand ‘vigilent, vigilent’. Voor hij aan het laatste deel van zijn act begon, vond ze het genoeg geweest. Ze wilde stoppen, maar haar jurk was aan de mouwen  door messen vastgepind.  Ze trok zich los, scheurde haar jurk en verdween achter het gordijn. Het publiek pikte het niet, werd boos en riep haar terug. De messenwerper liep haar luid vloekend achterna. Mensen wilden hun geld terug; het was maar een halve act. Dáárvoor hadden zij hun dure geld niet neergelegd!

Bij het verlaten van het circus stond ze bij de uitgang, samen met de oude beer. Je kon hem aaien, mocht je dat nog willen. Ze dankte met een verlegen Sok Köszönöm, legde haar hand op haar hart en knikte. Wij bedankten haar met een handkus en een hartelijk tot ziens. Het was een groet vol mededogen.

De internationale samenwerking , de organisatie van een tentoonstelling,  heeft overigens niet plaatsgevonden. De volgende dag waren alle mannen weer aanwezig, vergezeld van één vrouw: de echtgenote van de voorzitter.

© els van dinteren

Strijken

De hand over het hart strijken, iemand vergeven of aan iets toegeven. Er zijn prachtige strijkinstrumenten die je kunt bespelen met de strijkstok, maar er zijn ook instrumenten, strijkbouten, waarmee je het wasgoed gladstrijkt. Deze laatste vorm van strijken is een van mijn hobby’s: een enorme stapel wegwerken, en dan vooral op zondagmorgen. Niet zomaar was, nee … Damasten tafelkleden – je strijkt ze aan de achterkant, zodat het ingeweven patroon er aan de goede kant duidelijk uitkomt – vergezeld van een berg verschillende witte servetten. Kleine stapeltjes was laat ik met plezier een poosje liggen: het moet aangroeien. Vandaag is de keus: óf naar buiten, de sneeuw in óf de berg strijkgoed aanpakken. Het laatste wint, er wordt gestreken. Het ruimt op, het ordent, het zet aan tot nadenken en je kunt er muziek bij luisteren.

Het eerste tafelkleed komt uit de erfenis van mijn moeder. Het is het oudste kleed in mijn uitgebreide verzameling. Volgens de overlevering komt het uit haar huwelijksuitzet, het moet zevenenzeventig jaar oud zijn. Het kleed heeft mijn ouders overleefd. Terwijl ik het met aandacht over de strijkplank leg, zie ik een kleine, door de tijd veroorzaakte slijtageplek en een paar donkere vlekken. Ik herinner me dat ze stammen uit de periode dat mijn moeder met de feestdagen soms een omelet Sibérienne maakte. Dan kwam een dampende schaal op tafel, vol warme kersen, die door mijn vader werden geflambeerd. Hij hield van fikken, zoals zoveel mannen. Het was een risicovolle en spannende gebeurtenis, vooral voor de kinderen. Het was feestelijk en dat daarbij vlekken ontstonden vond mijn moeder geen probleem. ‘Het geeft aan dat het kleed heeft geleefd’, was zij van mening.

Als de servetten aan de beurt zijn, bekruipt mij een licht gevoel van schaamte. Ik moet opbiechten hoe ik aan deze verzameling kom: Ze zijn deels gekocht, een deel is geruild, maar een deel van mijn verzameling heb ik gewoon gestolen. Het eerste exemplaar dat op de strijkplank belandt, stamt uit een situatie, waarbij ik tijdens een diner werd verrast door een bloedneus. Ik greep onmiddellijk mijn servet en ving de eerste druppels op. Terwijl ik naar de gastheer luisterde, hield ik het servet tegen mijn neus en deed of er niets aan de hand was. Een doekje voor het bloeden. Later belandde het in mijn tas.

Er bestaan verschillen tussen mannen en vrouwen, bedenk ik terwijl ik de strijkbout heen en weer beweeg. Zelfs als het gaat om het hanteren van servetten. Mannen maken er soms een grap van, gebruiken het als een pochet of klemmen het tussen opzichtige rode bretels. Er is een vriend die zijn servet helemaal níét gebruikt en het onaangeraakt links laat liggen. Wel benut hij een deel van het tafelkleed, als het nodig is om zijn handen af te vegen en kijkt dan ondeugend rond. Vrouwen vouwen hun servet deels open en vegen hun lippenstift en de rest af aan de binnenkant. Daarna wordt het servet decent dichtgevouwen zodat het lijkt alsof het niet gebruikt is. De schade is pas later te zien: als het in de wasmand belandt. Alles mag met het servet: smeren, kreukelen, opgevouwen links laten liggen, over de schoot draperen, op de grond laten vallen, het niet oprapen… maar snuit er nooit je neus in.

Het tweede servet van de stapel komt uit Budapest. Het was tijdens een voortreffelijk etentje met mijn geliefde in café Hungaria, nu café New York, nadat wij genoten hadden van een warm bad in het beroemde Gellert. Zonder enige gêne stak ik na het eten het witte doekje in mijn tas. Het werd een sport, niet om het hebben, maar om de act. In Budapest volgden er nog één of twee, uit andere etablissementen. Mooie kwaliteit! Ik nam er nooit meer dan één per keer mee.

Het grote servet met de Franse lelies komt natuurlijk uit Parijs. Deze ruilde ik voor een goede fooi, dus niet gestolen of en passant meegenomen. De obers van het Jugendstilrestaurant Terminus Nord, tegenover het teinstation Gare du Nord, zijn oppassend en charmant. We kwamen net terug als wandelaar/klimmer uit de Pyreneeën en dan zie je er niet salonfähig uit. We genoten van onze laatste Franse francs een heerlijke Elzasser choucroute. Voor de servetten überhaupt aan de orde kwamen ruimde de oude ober snel af en bracht ons een dessert zonder servet. We veegden onze handen gewoon af aan onze vuile bergkleding. Bij de uitgang stond een tafeltje met serviesgoed, zilverwerk en servetten. Daar betaalden we keurig en toen gebeurde het toch nog op het laatste moment. In ruil voor het servet kreeg de ober een flinke fooi. Hij boog met één hand op zijn rug en de andere op zijn hart. ‘Bonjour… et merci bien.’

Op een terras in Lissabon, naast het bronzen beeld van Fernando Pessoa, bestelde ik een Portugese maaltijdsoep. De serveerster zette de kom iets te zwierig neer en knoeide daarbij op Het boek der rusteloosheid, dat opengeslagen, op bladzij 193 op het tafeltje lag. In Lissabon hoor je Pessoa te lezen.
De soep doorweekte de tekst: ‘Niet de liefde maar erbuiten verkeren is de moeite waard…’ Daar was niets tegenin te brengen. Al even zwierig en zonder te aarzelen depte ik met het bijgeleverde servet –nee, ze gebruiken daar geen papier – de soep van de pagina. Ik las het vervolg: ‘Wat liefde is wordt duidelijker door haar te onderdrukken dan door haar te ervaren.’ Pessoa, zelfs met soepresten, blijft Pessoa. Het ligt er wel aan met wie je op dat moment je soepje consumeert. Het servet moest thuis gewassen worden.

Oh nee, deze blijft voorlopig ongestreken en onbesproken; te heftig, misschien later.

In Moskou en Leningrad was het tafellinnen van mindere kwaliteit. Ik strijk een groot en een klein servet: één met ingeweven lelietjes-van-dalen, meegenomen uit voormalig Leningrad en één met het wapen van de stad Moskou. Ze zijn niet gestolen maar waren onderdeel van een ingewikkelde Russische transactie. In die tijd, nog voor er sprake was van perestrojka en glasnost, was er niet veel te koop in deze steden. De etalages lagen vol met saaie volksdemocratische rimram, áls er al iets in lag. Een verkoopster bij het Moskouse warenhuis Goem had haar oog laten vallen op mijn sjaal van bontgekleurde zijde, een uitverkoopje van de Bijenkorf. Ik mocht, in ruil voor de sjaal, van haar iets uitzoeken en koos een servet met wapen van de stad uit de karige toonbankvoorraad. Of ze de transactie heeft terugbetaald aan de staat? Ik weet het niet. Bij haar kocht ik ook lakens en slopen, van echt linnen, met handgeborduurde ajourranden. Er werd, op haar uitdrukkelijke verzoek, met US-dollars betaald. De lakens waren achteraf gezien te kort en de slopen vooral mooi, maar te klein voor onze kussens. Omgerekend naar guldens was het een prijzige aankoop, maar soms moet je niet zeuren. Het was prachtig handwerk en de lakens werden later gebruikt als tafellaken.
Het servet met de lelietjes kreeg ik van de serveerster in het mondaine, maar zwaar in verval geraakte hotel Centraal, waar we na veel soebatten met een ober, en meer dan een uur wachten, eindelijk mochten aanschuiven bij een zevenkoppig oriëntaals ogend gezelschap, dat al een deel van het diner had genoten. Het tafelkleed was bezaaid met de etensresten van eerdere gasten: hier keek men niet zo nauw. We werden van harte uitgenodigd door in klederdracht gehulde Oezbeekse mannen en vrouwen en hoefden niets te bestellen. Zonder nog iets te hebben besteld, werd het eten gewoon voor ons neergegooid. Er was overigens maar één gerecht: gerookte steur, brood en kaviaar. Wel was er veel drank. Het kon slechter. Het werd een internationaal genoegen. Toen ik na afloop van het diner de serveerster vroeg of ik een servet kon kopen, als souvenir, vroeg ze verbaasd: ‘Kopen, kopen, hoeveel wil je er hebben?’ Ik nam bescheiden genoegen met één schoon exemplaar en liet haar verbaasd achter bij haar samowar, met een grote reep Verkade-chocolade.

Nu zijn de meest dierbare stukken aan de beurt. Ze komen uit Wenen. Daar werden we door ooms en tantes op uitgebreide maaltijden geïnviteerd. De oude Leo en Melanie waren kinderloos en hadden beiden een belangrijk baan. Als wij in de stad op vakantie waren, organiseerden zij een familiereünie. Leo en Melanie trakteerden ons op de Weense Opera en het Burgtheater. Zij rookten samen één sigaret, maar niet uit zuinigheid. In hun moderne appartement zag ik ooit een kristallen schaal met gouden dukaten: ze bleken van chocolade. Integendeel. De etentjes waren royaal en traditioneel Weens van aard. Als jong meisje koos ik een voor mij onbekende schotel. Er werd een enorme berg vlees opgediend, samen met een behoorlijk uit de kluiten gewassen knödel. Die wilde ik niet eten. Ik wierp het monster voorzichtig op het bord van mijn zus naast mij, met de woorden: ‘Diese ist sehr lekker, es ist mein Geschenk. Mahlzeit!’ Zij gooide ’m vervolgens terug. De oude Leo zag het en sprak de memorabele woorden: ‘Im Krieg…’, waarop Melanie onmiddellijk riep: ‘Leo, mein Liebste… Leo… es sind Kinder…’ Op een onbewaakt moment stopte ik het monster in mijn servet en liet alles onder tafel verdwijnen.
Te pas en te onpas werd het verhaal over de Knödel op verjaardagen verteld en aangedikt.

Dit kleine servet draagt de herinnering aan de tranen van mijn liefste tante Anschie Cerný met zich mee. Wanneer zij achter haar piano zat en liederen zong, huilde ze echte tranen. Ooit wierp ze mij haar betraande servetje toe. Ik heb het heel lang ongewassen bewaard. Nu, bij het strijken zing ik voor haar en ook voor haar zus Grete Kocshi. Beiden waren ze ooit zeer jonge oorlogsweduwen. En ik zing voor mijn moeder. Alle drie zo Weens als Sachertorte en zo emotioneel meeslepend als de walsen van Strauss. Wiener Mädeln: zoet, sterk en ruimhartig. Ik pak een servetje: oh, de muziek, de herinnering.

Het laatste kleed is het damasten dekservet waarmee mijn moeder dagelijks haar tafel dekte toen ze alleen in het iets te grote huis achterbleef. De kleden werden kleiner. Of er iedere dag een maaltijd op haar tafel kwam, weet ik niet met zekerheid te zeggen. Na haar afscheid nam ik het dekservet mee en gebruik het nog regelmatig. Ik kan me niet herinneren dat we thuis ooit níét lekker hebben gegeten. Met weinig moeite bereidde zij maaltijden, niet alleen voor ons, maar ook voor de gasten die dikwijls aan onze toch al drukke tafel aanschoven. Ik vraag mij weleens af waar haar energie vandaan kwam. Wat zou ik nu graag even met mijn vader praten. De oneffenheden die zich bij ons aan tafel voordeden, vóór het eten, tijdens en erna, zijn door de tijd gladgestreken.

Nu rest er nog een stapeltje ‘anoniemen’, servetten met een onduidelijke herkomst. Ze zijn gestreken en liggen er keurig bij, wit en zonder dat er nog een herinnering aan is verbonden. Met de rest vormen zij één mooi geheel in de linnenkast.

Ik reis minder dan vroeger, dus komt het er niet meer van de verzameling nog verder uit te breiden en genoeg is genoeg. Papieren servetten weiger ik overigens te gebruiken. De rest van mijn huisraad heb ik eerlijk verdiend, gekregen of geërfd. Een geruststellende gedachte na deze uitgebreide biecht waarin al mijn ‘zonden’ zijn gladgestreken.

© els van dinteren

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!