l De rat – Els van Dinteren
Close

De rat

Hij was terug komen lopen, dagen lang, door weer en wind. Vanwaar hij precies kwam werd niet helemaal duidelijk, maar het was ergens in Midden-Duitsland. De oorlog was nog niet lang daarvoor beëindigd. Hij was door het Amerikaanse leger bevrijd en was nu op weg naar huis, naar het huis van zijn ouders in Amersfoort. Voor zijn vertrek had hij nieuwe kleren gekregen van een internationale hulporganisatie. Zijn oude kleren had hij dag en nacht gedragen gedurende zijn dwangarbeid. Die waren door werk en tijd tot op de draad versleten. Hij trok zijn nieuw gekregen pak en schoenen aan en voelde zich eindelijk weer mens worden, en had ook zich met echte zeep kunnen wassen. Zijn bundeltje oude spullen bond hij samen en hij vervolgde zijn thuisreis, te voet en alleen.

Midden jaren zestig ontmoette ik hem op een afdeling van het Computercentrum waar ik werkte. Hij zat tegenover mij aan een groot bureau, op een paar meter afstand. Hij had zich voorgesteld als: ‘Zeg maar Davelaar’. We werkten in alle stilte, maar af en toe keek ik naar hem, niet omdat ik hem zo mooi vond, hij zag er afschrikwekkend uit: lang, mager, sterk uitstekende jukbeenderen en grote uitpuilende ogen. Vaak had ik de neiging te vragen: ‘Gaat het wel goed met u, meneer Davelaar’, maar dat deed ik niet. Hij was te kwetsbaar. Meerdere keren per uur rolde hij een dun shagje en nam dan een kleine pauze. Wel merkte hij dat ik soms naar hem keek. Op een dag vond hij het nodig zijn verhaal te vertellen. Ik was ontdaan en begreep niet dat hij met zo’n zwak gestel en uitgeput lijf kon werken. Het was zijn overleving, zei hij. ‘Als ik dit werk niet zou hebben, zou ik allang naar de sodemieter zijn geholpen.’   Zo noemde hij het met zijn zware, maar zachte stem.

Onderweg naar huis was het voorjaarsweer nogal wisselvallig, vertelde hij.  Af en toe regende het heftig, maar de sterke zon zorgde ervoor dat zijn nieuwe pak weer opdroogde. Hij hoopte dat zijn ouders trots waren dat hij zo netjes aangekleed terug uit de hel kwam wandelen. Even voor Amersfoort begon het keihard te regenen en zijn nieuwe pak werd drijfnat. Niet alleen nat, maar het viel ook stukje bij beetje uit elkaar. Het bleek van een listig gefabriceerd papierproduct te zijn, op sommige plekken verstevigd met vlieseline strippen, die het geheel min of meer bij elkaar hielden. Door het weer verloor hij een deel van de mouwen en later –zoals hij al vreesde- ook de broekspijpen. Gelukkig had hij bij het omkleden zijn oude onderbroek aangehouden, die was te vies om uit te trekken, maar deed nu zijn werk. Hij kwam thuis met de papieren restanten van zijn pak en huilde van woede: hij ondervond het als de ultieme vernedering, gratis verkregen van een Amerikaanse hulporganisatie.

Na zijn korte verblijf bij zijn ouders werd hij voor enkele jaren opgenomen in een kliniek voor tbc-patiënten. Redelijk genezen ging hij uiteindelijk aan het werk en zag dit als doel van zijn bestaan: ‘Werken om de restanten van de hel te vergeten.’ Toen ik hem zag was hij eind veertig en had het uiterlijk van een man die na jaren uit zijn graf was opgestaan.

Het werd Sinterklaas. De afdeling had besloten het feest gezamenlijk te vieren. De chef, een kleine corpulente man, bijgenaamd ‘de rat’ nam gretig de organisatie op zich. Er waren sigaretten, warme wijn en zware banketletter. De sfeer was gemoedelijk. Collega’s lazen bulderend van het lachen hun gedichten voor. Nu was meneer Davelaar aan de beurt om zijn geschenk in ontvangst te nemen. Nieuwsgierig en met veel omzichtigheid pakte hij het uit. Er was geen gedicht voor hem gemaakt. Wij waren nieuwsgierig en stonden op om te kijken wat er in het mooie doosje zat. In witte watten lagen twee grote koeienogen met een kleine bril: meneer Davelaar met bril, in een doosje. Hij deed onmiddellijk het doosje dicht en keek ‘de rat’ aan, stond op en gaf hem het doosje terug.

© Els van Dinteren

Delen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!