l Gevaren – els van dinteren
Close

Gevaren

In de rubriek diversen van de plaatselijke krant stond hij omschreven als redelijk groot, uit goed hout gesneden, zonder al te veel beschadigingen en voor diverse doeleinden te gebruiken. Overal was hij geweest, het had hem wijzer en vermoeider gemaakt. Hij was af te halen tegen een zeer kleine vergoeding, liefst zo snel mogelijk.

Ik belde het telefoonnummer uit de advertentie en kreeg een aardige, zacht sprekende man aan de lijn. Misschien was hij niet gewend te telefoneren, of leed hij aan een overdosis verlegenheid. Hij stelde zich voor en binnen enkele minuten werd er een afspraak gemaakt. Gezamenlijk kwamen we een redelijk bedrag overeen. De man was inschikkelijk en blij met de overeengekomen prijs. De volgende dag reed ik met mijn kleine vrachtautootje naar het volgende dorp en vond zonder al te veel zoeken het opgegeven adres. Het huis lag aan een kleine weg met zeer oude eiken. Links en rechts zag ik enkele bungalows en aan het eind van de laan stonden een paar oude, statige huizen. De omgeving ademde een zekere welvaart: vroeger zou je het ‘wonen op stand’ noemen. Ik liep het tuinpad op, belde aan en hoorde het geluid van een dingdong. Merkwaardig en voor mijn gevoel niet in overeenstemming met de statigheid van het huis. Een dergelijk huis behoort een koperen bel te hebben, die zijn weerklank geeft op een marmeren vloer in de gang.

Voorzichtig ging de zware voordeur open en daar stond een man van rond de zestig jaar in een kleurloos pak met een gebreide spencer onder zijn oude colbert. Hij nodigde mij vriendelijk maar aarzelend uit binnen te komen en gaf me een stevige hand.
Op hetzelfde moment verscheen een kleine vrouw achter in de hal, die de man op onaangename toon aansprak. ‘Je kunt het toch ook wel dáár afhandelen’. De man schrok even maar hernam zich snel. Ik moest goed luisteren om hem te kunnen verstaan. Later zou me dat zeer verbazen.
Hij wuifde haar weg en ze verdween vanwaar ze gekomen was. We bleven samen bij de deur staan. De uitnodiging om binnen te komen was na dit korte incident vervallen. Nu vertelde hij rustig wat de aanleiding voor de advertentie was en zei dat hij blij was dat ik zo snel gereageerd had. Het was een moeilijk moment voor hem, begreep ik. ‘Ik heb mijn hele leven over de wereldzeeën gevaren, ik ken de continenten. Sinds kort ben ik aan wal gekomen vanwege mijn pensionering, waar ik lang naar uitgekeken heb. Toen ik na al die jaren thuiskwam met mijn bagage was het moeilijk een plek te zoeken voor alle herinneringen. Je zou zeggen het huis is groot genoeg, maar daar gaat het niet om. Het gaat niet om ruimte, maar om het gevoel voet aan wal te zetten’.

Hij nam de tijd om één en ander uit te leggen en zijn zachte stem werd krachtiger naarmate hij steeds uitvoeriger verhaalde over zijn ervaringen. Met veel plezier beschreef hij het Verre Oosten. Vooral deze reizen hadden hem een mooi en enerverend leven bezorgd. De laatste jaren was hij kapitein geweest op een groot vrachtschip, dat onderweg naar verdere oorden het oosten van Afrika frequent had aangedaan. Hij noemde zijn bezoeken aan Zanzibar, de grootste producent van kruidnagel ter wereld. Ik kon hem gerichte vragen stellen omdat ik jaren geleden het eiland had bezocht toen ik in Tanzania was voor een project. We spraken over de aangename geur van kruidnagel, het tropische goud, en over piment, foelie, muskaatnoot, over peper en de veelheid aan exotische vruchten. En natuurlijk over de plaatselijke bevolking, die met geurige pilav-piramides toeristen verleidde ervan te komen proeven. Zo reisden we samen over het eiland, de kapitein en ik. Hij herinnerde zich de verraderlijke golfslag tussen het vaste land en het eiland, die vooral voor kleinere boten gevaar opleverde, niet voor het grote schip waarop hij de scepter zwaaide. Voor de onstuimige kust vergingen geregeld vissersboten. Even later kwam het gesprek op het mooie badhuis van Sheherazade, gelegen op een verlaten plek midden op het eiland. Zeven witgekalkte koepels achter elkaar in een sprookjesachtige omgeving met verschillende inheemse bomen.
Mr. Mito, een oude eilandbewoner, had mij en later de kapitein erheen gebracht in zijn verroeste Peugeot. Voor een paar dollar, inclusief zijn smeuïge verhalen. Daar in die paradijselijke omgeving zagen we ook de zeldzame miljoenenpoot. De kapitein vertelde dat hij zich daar bij het kleine elegante badhuis had voorgenomen de verhalen van Duizend en een Nacht te gaan lezen. Hij wist nu in welke feeërieke omgeving Sheherazade had gebaad. Hij nam haar en het kleine badhuis in zijn herinnering mee naar huis.

Midden in onze reis kwam zijn vrouw weer tevoorschijn en deelde hem op dwingende toon mee dat ze straks samen boodschappen moesten gaan doen. Hij liet zich deze keer niet door haar afleiden en ging onverstoorbaar verder: ‘Het dierbaarste bezit dat ik mee terugbracht is mijn kist. De grote houten kist, waarin een belangrijk deel van mijn leven zit. Niet alleen kleren: het uniform met gouden strepen en epauletten, maar ook alle afscheidsgeschenken, een aantal souvenirs, maar vooral herinneringen en geuren uit andere werelddelen. Ik hoopte de kist rustig uit te pakken en de herinneringen een plaats te geven ons mijn huis.’
De kist stond in de hal en ik zag tot mijn verbazing dat het een hele grote was. Zijn functie was –net zoals die van hem- niet meer actueel. De kist moest ook met pensioen en weg uit het huis! Dat had zijn vrouw zo besloten. ‘Nee, die kist wil ik niet in de hal’, was haar standvastige commentaar geweest, zo vertelde de kapitein.
Op het moment dat we naar de kist wilden lopen om hem te verslepen, voegde zijn vrouw zich opnieuw bij ons. Ze had een blauw vestje aangetrokken. Hij stelde haar aan mij voor: ‘Dit is mijn vrouw Nel, zij is kapitein op het schip waarop ik sinds een paar weken woon.’ Ik gaf haar een hand en voelde dat die koud was. Haar gezicht vertoonde verbeten trekken. Om de situatie aangenamer te maken moest ik iets vriendelijks tegen haar zeggen. ‘U woont in een prachtig huis, omgeven met mooie oude eiken en ook zo heerlijk rustig.’ Dat kon haar niet zoveel schelen. Ze drukte haar man voorzichtig weg. Nu stond ze naast mij en wilde -zo te zien- haar kant van het verhaal vertellen.
‘Ja, hij kan mooie verhalen ophangen over wat er onderweg allemaal gebeurd is, maar wat zich hier thuis afspeelde is hem in al die jaren totaal ontgaan. Zelfs de geboorte van zijn drie kinderen heeft hij niet meegemaakt. Dan zat hij ergens achter Japan of nog verder, maar ik zat hier en moest het maar in m’n eentje zien te rooien. Hij zag de kinderen pas toen ze al konden lopen. Nu zijn ze gelukkig groot en ze hebben een eigen leven, er zijn al twee kleinkinderen. We hebben een hechte band. Maar sinds een paar weken is er een grote verandering in gekomen nu hij iedere dag aandacht opeist. Hij speelt de baas, dat is hij zo gewend op zijn schip. Orders en controles. Twee kapiteins op één schip, zo ben ik het gaan noemen. Ik wil zo veel mogelijk van die rommel van hem bevrijd worden, vooral die kist met al die onbegrijpelijke zaken. Ja, een prachtige antieke kimono heb ik van hem gekregen en nog meer van die oosterse zaken, maar daar zat ik niet op te wachten. Ik ben zijn geisha niet. Die kist is nu leeg, maar ík weet welke verhalen er in rondhuizen. Als u zou weten wat ík heb meegemaakt …’
Ik keek even naar hem. Hij verschrompelde en boog zich voorover. Zijn grijze pak hing om hem heen als een afgedankt kostuum om een verwaaide vogelverschrikker. Een pak zonder gouden biezen, tressen en ander fraai materiaal dat macht en zelfbewustzijn uitstraalt.

Om een eind te maken aan de penibele situatie stelde ik voor de kist te gaan verslepen. Hij nam het rechterhandvat en ik het linker. Nel waarschuwde dat we de kist niet over de vloer mochten schuiven, het zou de tegels beschadigen. Onder haar toeziend oog, tilden we het gevaarte zo goed en zo kwaad als het ging naar buiten. De volgende klus was de kist in mijn auto te hijsen. Dat ging met veel moeite.
‘Hoe moet je hem er thuis uitkrijgen?’ vroeg de kapitein. Ik zei dat ik iemand zou vragen mij te helpen. Hij stelde voor mee te gaan, als ik hem daarna wel weer terug zou brengen. Voor ik het wist had ik én de kist én de kapitein in de auto. Terwijl ik de motor startte, hoorde ik Nel roepen: ‘Je mag hem houden, hoor!’
We reden rustig naar mijn boshuis. Al rijdend gaf ik hem het bedrag dat overeengekomen was tijdens ons telefoongesprek. In het bos aangekomen, droegen we de kist voorzichtig mijn huis binnen. Vanaf nu zou de kist fungeren als opbergruimte voor míjn souvenirs en herinneringen.
Toen de kapitein in het huisje stond en de omgeving in zich had opgenomen, zei hij: ‘Ik ben zeer tevreden met de nieuwe plek waar mijn kist gaat wonen. Hij had het niet beter kunnen treffen.’ Hij nam het geld, dat ik hem eerder had gegeven, uit zijn zak en gaf het mij met een vriendelijk gebaar terug. ‘Eigenlijk moet ik ú betalen, mijn kist is met vakantie in uw boshuis! Zoiets heeft hij nog niet eerder meegemaakt: kalm wonen in een bos, ver weg van de einder en de rusteloze zee.’
Ik bracht de kapitein terug naar Nel en beloofde dat ik zijn kist met alle egards zou behandelen en dat, als hij behoefte had verhalen te vertellen, hij altijd welkom was. We wisselden adressen en telefoonnummers uit. Ik deed nog een poging de moeilijke situatie van zijn vrouw aan hem duidelijk te maken. Of dat iets heeft uitgehaald weet ik niet. Zijn enige reactie was: ‘Het leven blijft leren, zeker als je ouder wordt.’

Ik vulde mijn nieuwe bezit met zijden- en linnenlappen uit India en met twee dierbare Sole Mio dekens. De witte hangmat uit Brazilië, een doos met bijzondere tropische schelpen, gevonden op het strand van Zanzibar kregen ook een nieuwe bestemming. Bovenop legde ik een klein zakje kruidnagel en een paar kaneelstokken voor de geur, en een potje tropisch zand uit Bagamoyo. Een houten gelukbeeldje uit West-Afrika legde ik tussen de dekens.
Dat weekend kwamen vrienden op bezoek. De kist kwam natuurlijk direct ter sprake. Zij stelden voor om er voorlopig mijn nieuwe bed van te maken. Gezien de lengte zou ik er gemakkelijk in passen. Omdat de andere bedden door hen werden bezet, besloot ik voor een paar nachten gebruik te maken van de kist. Die nacht sliep ik op een donzen kussen tussen de dekens in de grote kist. Het deksel bleef natuurlijk openstaan.

Mijn nieuwe bed was comfortabel en ik droomde van verre stranden. Een grote vis stak zijn kop op en kwam mij halen voor een tropische rondvaart. Ik groette hem vriendelijk en nam als vanzelfsprekend plaats op zijn brede rug. Hij was in bezit van kleine stijgbeugels en in zijn bek had hij een bit met daaraan dunne teugels. Hij zwom rustig door de warme wateren rond een eiland en keek af en toe achterom of ik het nog naar m’n zin had. Als hij te snel ging probeerde ik aan de teugels te trekken, maar hij ging gewoon zijn eigen gang. Ik gaf me al snel aan hem over. Hij wist tenslotte de weg en ik vertrouwde hem volkomen.

 

© els van dinteren

Delen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!