l Strijken – Els van Dinteren
Close

Strijken

De hand over het hart strijken, iemand vergeven of aan iets toegeven. Er zijn prachtige strijkinstrumenten die je kunt bespelen met de strijkstok, maar er zijn ook instrumenten, strijkbouten, waarmee je het wasgoed gladstrijkt. Deze laatste vorm van strijken is een van mijn hobby’s: een enorme stapel wegwerken, en dan vooral op zondagmorgen. Niet zomaar was, nee … Damasten tafelkleden – je strijkt ze aan de achterkant, zodat het ingeweven patroon er aan de goede kant duidelijk uitkomt – vergezeld van een berg verschillende witte servetten. Kleine stapeltjes was laat ik met plezier een poosje liggen: het moet aangroeien. Vandaag is de keus: óf naar buiten, de sneeuw in óf de berg strijkgoed aanpakken. Het laatste wint, er wordt gestreken. Het ruimt op, het ordent, het zet aan tot nadenken en je kunt er muziek bij luisteren.

Het eerste tafelkleed komt uit de erfenis van mijn moeder. Het is het oudste kleed in mijn uitgebreide verzameling. Volgens de overlevering komt het uit haar huwelijksuitzet, het moet zevenenzeventig jaar oud zijn. Het kleed heeft mijn ouders overleefd. Terwijl ik het met aandacht over de strijkplank leg, zie ik een kleine, door de tijd veroorzaakte slijtageplek en een paar donkere vlekken. Ik herinner me dat ze stammen uit de periode dat mijn moeder met de feestdagen soms een omelet Sibérienne maakte. Dan kwam een dampende schaal op tafel, vol warme kersen, die door mijn vader werden geflambeerd. Hij hield van fikken, zoals zoveel mannen. Het was een risicovolle en spannende gebeurtenis, vooral voor de kinderen. Het was feestelijk en dat daarbij vlekken ontstonden vond mijn moeder geen probleem. ‘Het geeft aan dat het kleed heeft geleefd’, was zij van mening.

Als de servetten aan de beurt zijn, bekruipt mij een licht gevoel van schaamte. Ik moet opbiechten hoe ik aan deze verzameling kom: Ze zijn deels gekocht, een deel is geruild, maar een deel van mijn verzameling heb ik gewoon gestolen. Het eerste exemplaar dat op de strijkplank belandt, stamt uit een situatie, waarbij ik tijdens een diner werd verrast door een bloedneus. Ik greep onmiddellijk mijn servet en ving de eerste druppels op. Terwijl ik naar de gastheer luisterde, hield ik het servet tegen mijn neus en deed of er niets aan de hand was. Een doekje voor het bloeden. Later belandde het in mijn tas.

Er bestaan verschillen tussen mannen en vrouwen, bedenk ik terwijl ik de strijkbout heen en weer beweeg. Zelfs als het gaat om het hanteren van servetten. Mannen maken er soms een grap van, gebruiken het als een pochet of klemmen het tussen opzichtige rode bretels. Er is een vriend die zijn servet helemaal níét gebruikt en het onaangeraakt links laat liggen. Wel benut hij een deel van het tafelkleed, als het nodig is om zijn handen af te vegen en kijkt dan ondeugend rond. Vrouwen vouwen hun servet deels open en vegen hun lippenstift en de rest af aan de binnenkant. Daarna wordt het servet decent dichtgevouwen zodat het lijkt alsof het niet gebruikt is. De schade is pas later te zien: als het in de wasmand belandt. Alles mag met het servet: smeren, kreukelen, opgevouwen links laten liggen, over de schoot draperen, op de grond laten vallen, het niet oprapen… maar snuit er nooit je neus in.

Het tweede servet van de stapel komt uit Budapest. Het was tijdens een voortreffelijk etentje met mijn geliefde in café Hungaria, nu café New York, nadat wij genoten hadden van een warm bad in het beroemde Gellert. Zonder enige gêne stak ik na het eten het witte doekje in mijn tas. Het werd een sport, niet om het hebben, maar om de act. In Budapest volgden er nog één of twee, uit andere etablissementen. Mooie kwaliteit! Ik nam er nooit meer dan één per keer mee.

Het grote servet met de Franse lelies komt natuurlijk uit Parijs. Deze ruilde ik voor een goede fooi, dus niet gestolen of en passant meegenomen. De obers van het Jugendstilrestaurant Terminus Nord, tegenover het teinstation Gare du Nord, zijn oppassend en charmant. We kwamen net terug als wandelaar/klimmer uit de Pyreneeën en dan zie je er niet salonfähig uit. We genoten van onze laatste Franse francs een heerlijke Elzasser choucroute. Voor de servetten überhaupt aan de orde kwamen ruimde de oude ober snel af en bracht ons een dessert zonder servet. We veegden onze handen gewoon af aan onze vuile bergkleding. Bij de uitgang stond een tafeltje met serviesgoed, zilverwerk en servetten. Daar betaalden we keurig en toen gebeurde het toch nog op het laatste moment. In ruil voor het servet kreeg de ober een flinke fooi. Hij boog met één hand op zijn rug en de andere op zijn hart. ‘Bonjour… et merci bien.’

Op een terras in Lissabon, naast het bronzen beeld van Fernando Pessoa, bestelde ik een Portugese maaltijdsoep. De serveerster zette de kom iets te zwierig neer en knoeide daarbij op Het boek der rusteloosheid, dat opengeslagen, op bladzij 193 op het tafeltje lag. In Lissabon hoor je Pessoa te lezen.
De soep doorweekte de tekst: ‘Niet de liefde maar erbuiten verkeren is de moeite waard…’ Daar was niets tegenin te brengen. Al even zwierig en zonder te aarzelen depte ik met het bijgeleverde servet –nee, ze gebruiken daar geen papier – de soep van de pagina. Ik las het vervolg: ‘Wat liefde is wordt duidelijker door haar te onderdrukken dan door haar te ervaren.’ Pessoa, zelfs met soepresten, blijft Pessoa. Het ligt er wel aan met wie je op dat moment je soepje consumeert. Het servet moest thuis gewassen worden.

Oh nee, deze blijft voorlopig ongestreken en onbesproken; te heftig, misschien later.

In Moskou en Leningrad was het tafellinnen van mindere kwaliteit. Ik strijk een groot en een klein servet: één met ingeweven lelietjes-van-dalen, meegenomen uit voormalig Leningrad en één met het wapen van de stad Moskou. Ze zijn niet gestolen maar waren onderdeel van een ingewikkelde Russische transactie. In die tijd, nog voor er sprake was van perestrojka en glasnost, was er niet veel te koop in deze steden. De etalages lagen vol met saaie volksdemocratische rimram, áls er al iets in lag. Een verkoopster bij het Moskouse warenhuis Goem had haar oog laten vallen op mijn sjaal van bontgekleurde zijde, een uitverkoopje van de Bijenkorf. Ik mocht, in ruil voor de sjaal, van haar iets uitzoeken en koos een servet met wapen van de stad uit de karige toonbankvoorraad. Of ze de transactie heeft terugbetaald aan de staat? Ik weet het niet. Bij haar kocht ik ook lakens en slopen, van echt linnen, met handgeborduurde ajourranden. Er werd, op haar uitdrukkelijke verzoek, met US-dollars betaald. De lakens waren achteraf gezien te kort en de slopen vooral mooi, maar te klein voor onze kussens. Omgerekend naar guldens was het een prijzige aankoop, maar soms moet je niet zeuren. Het was prachtig handwerk en de lakens werden later gebruikt als tafellaken.
Het servet met de lelietjes kreeg ik van de serveerster in het mondaine, maar zwaar in verval geraakte hotel Centraal, waar we na veel soebatten met een ober, en meer dan een uur wachten, eindelijk mochten aanschuiven bij een zevenkoppig oriëntaals ogend gezelschap, dat al een deel van het diner had genoten. Het tafelkleed was bezaaid met de etensresten van eerdere gasten: hier keek men niet zo nauw. We werden van harte uitgenodigd door in klederdracht gehulde Oezbeekse mannen en vrouwen en hoefden niets te bestellen. Zonder nog iets te hebben besteld, werd het eten gewoon voor ons neergegooid. Er was overigens maar één gerecht: gerookte steur, brood en kaviaar. Wel was er veel drank. Het kon slechter. Het werd een internationaal genoegen. Toen ik na afloop van het diner de serveerster vroeg of ik een servet kon kopen, als souvenir, vroeg ze verbaasd: ‘Kopen, kopen, hoeveel wil je er hebben?’ Ik nam bescheiden genoegen met één schoon exemplaar en liet haar verbaasd achter bij haar samowar, met een grote reep Verkade-chocolade.

Nu zijn de meest dierbare stukken aan de beurt. Ze komen uit Wenen. Daar werden we door ooms en tantes op uitgebreide maaltijden geïnviteerd. De oude Leo en Melanie waren kinderloos en hadden beiden een belangrijk baan. Als wij in de stad op vakantie waren, organiseerden zij een familiereünie. Leo en Melanie trakteerden ons op de Weense Opera en het Burgtheater. Zij rookten samen één sigaret, maar niet uit zuinigheid. In hun moderne appartement zag ik ooit een kristallen schaal met gouden dukaten: ze bleken van chocolade. Integendeel. De etentjes waren royaal en traditioneel Weens van aard. Als jong meisje koos ik een voor mij onbekende schotel. Er werd een enorme berg vlees opgediend, samen met een behoorlijk uit de kluiten gewassen knödel. Die wilde ik niet eten. Ik wierp het monster voorzichtig op het bord van mijn zus naast mij, met de woorden: ‘Diese ist sehr lekker, es ist mein Geschenk. Mahlzeit!’ Zij gooide ’m vervolgens terug. De oude Leo zag het en sprak de memorabele woorden: ‘Im Krieg…’, waarop Melanie onmiddellijk riep: ‘Leo, mein Liebste… Leo… es sind Kinder…’ Op een onbewaakt moment stopte ik het monster in mijn servet en liet alles onder tafel verdwijnen.
Te pas en te onpas werd het verhaal over de Knödel op verjaardagen verteld en aangedikt.

Dit kleine servet draagt de herinnering aan de tranen van mijn liefste tante Anschie Cerný met zich mee. Wanneer zij achter haar piano zat en liederen zong, huilde ze echte tranen. Ooit wierp ze mij haar betraande servetje toe. Ik heb het heel lang ongewassen bewaard. Nu, bij het strijken zing ik voor haar en ook voor haar zus Grete Kocshi. Beiden waren ze ooit zeer jonge oorlogsweduwen. En ik zing voor mijn moeder. Alle drie zo Weens als Sachertorte en zo emotioneel meeslepend als de walsen van Strauss. Wiener Mädeln: zoet, sterk en ruimhartig. Ik pak een servetje: oh, de muziek, de herinnering.

Het laatste kleed is het damasten dekservet waarmee mijn moeder dagelijks haar tafel dekte toen ze alleen in het iets te grote huis achterbleef. De kleden werden kleiner. Of er iedere dag een maaltijd op haar tafel kwam, weet ik niet met zekerheid te zeggen. Na haar afscheid nam ik het dekservet mee en gebruik het nog regelmatig. Ik kan me niet herinneren dat we thuis ooit níét lekker hebben gegeten. Met weinig moeite bereidde zij maaltijden, niet alleen voor ons, maar ook voor de gasten die dikwijls aan onze toch al drukke tafel aanschoven. Ik vraag mij weleens af waar haar energie vandaan kwam. Wat zou ik nu graag even met mijn vader praten. De oneffenheden die zich bij ons aan tafel voordeden, vóór het eten, tijdens en erna, zijn door de tijd gladgestreken.

Nu rest er nog een stapeltje ‘anoniemen’, servetten met een onduidelijke herkomst. Ze zijn gestreken en liggen er keurig bij, wit en zonder dat er nog een herinnering aan is verbonden. Met de rest vormen zij één mooi geheel in de linnenkast.

Ik reis minder dan vroeger, dus komt het er niet meer van de verzameling nog verder uit te breiden en genoeg is genoeg. Papieren servetten weiger ik overigens te gebruiken. De rest van mijn huisraad heb ik eerlijk verdiend, gekregen of geërfd. Een geruststellende gedachte na deze uitgebreide biecht waarin al mijn ‘zonden’ zijn gladgestreken.

© els van dinteren

Delen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!