l W.G. Sebald lezen! – Els van Dinteren
Close

W.G. Sebald lezen!

Naar de natuur

 

Nach der Natur: ein Elementargedicht

De Duitse titel van het kleine vertaalde boek, met drie poëtische vertellingen van W.G. Sebald, uitgekomen bij De Bezige Bij in 2008 met de titel Naar de natuur.

Ingedeeld in drie hoofdstukken:

I-VIII Als de sneeuw op de Alpen

Sebald neemt ons aan de hand mee langs o.a. de triptiek geschilderd door Mattheus Grünewald van Aschaffenburg, tijdens zijn bezoek aan de parochiekerk van Lindenhardt. Minutieus worden alle gezichten op de drie panelen onder de loep genomen. Kleur speelt een cruciale rol in de beschrijvingen, maar ook de herkenbaarheid van de figuren op het doek. Sebald bezoekt daarna diverse bekende Duitse musea en vergelijkt het werk van Grünewald en passant met de doeken van o.a. Dürer en Holbein. Bij elke schildering kijkt hij terug op een verhaal/de geschiedenis van die tijd.

(…) ‘Lang is zoals bekend de traditie van de Jodenvervolging, ook in de stad Frankfurt am Main. Rond 1240 moeten er volgens de kronieken 173 deels zijn doodgeslagen, deels een vrijwillige dood in de vlammen zijn gestorven. In het jaar 1349 richtten de geselbroeders een groot bloedbad aan in de joodse wijk. Opnieuw zeggen de kronieken dat de Joden zichzelf verbrandden en dat je naar de vuurzee vanaf de heuvel van de kathedraal tot Sachenhausen kon kijken.’ (…)

In Hoofdstuk III beschrijft hij de ontmoeting met prachtige Joodse Anna Enchin, die in het getto woonde. Toen Grünewald op 17 december 1512 vlak bij de kathedraal voor drieëntwintig gulden en twaalf schilling een huis kocht, had hij, zoals het protocol vermeldt, die getaufte Annen reeds als vrouw. De veel bewonderde jonge proseliete, een ware aanwinst voor de christelijke gemeenschap van Frankfurt, die haar al bij de doop met geschenken had overlanden, had Grünewalds geluk kunnen worden. Dat het anders is gelopen (…)’.

 

I-XXI En ging ik wonen aan het uiterste der zee

In deze vertelling staat het leven van de botanicus Steller centraal.

‘De uit Windsheim in Franken afkomstige Georg Wilhelm Steller stuitte in de loop van zijn studie aan de Universiteit van Halle herhaaldelijk op berichten in de officiële nieuwsbladen, dat de Russische tsarina aanstalten maakte om in het kader van de uitbreiding van haar rijk een expeditie van nog nooit vertoonde omvang onder het opperbevel van Vitus Bering, wiens hoofd zo’n tweeënhalve eeuw later tot onze ontzetting nog een keer in de literatuur opduikt’ (…).

(…) ‘Als deze reis U welgevallig is, wees dan onze kracht op ons pad, sprak hij bij zichzelf, wees troost onderweg, schaduw in de hitte van de middag, licht in de duisternis, beschutting tegen vorst en regen, wagen in het uur van de vermoeidheid, hulp in de nood, opdat wij onder Uw leiding veilig daar aankomen waarheen wij getrokken worden: draagt Gij de zorg, o Heer, opdat de sterren zich gunstig boven ons scharen.

Manuscripten aan het eind van zijn leven, geschreven op een eiland in de IJszee met een krassende ganzenveer en gallige inkt, lijsten van tweehonderdelf verschillende planten, verhalen over witte raven, wonderlijke kormoraans en zeekoeien, verzameld in het stof van een eindeloos archief, zijn zoölogisch meesterwerk, de bestiis marinis, een reisprogramma voor jagers, een leidraad bij het tellen van de vachten, nee, niet hoog genoeg was het noorden.’ (…)

 

I-VII De duist ’re nacht vaart uit

‘Wat moeilijk te ontdekken zijn ze, de gevleugelde vertebraten uit de oertijd, ingebed tussen leisteenplaten. Maar ik zie de nervatuur van het voorbije beeld voor mij, dan denk ik altijd dat dit iets met waarheid te maken heeft. Het brein werkt immers voortdurend met sporen van zelforganisatie, hoe zwak soms ook, en af en toe ontstaat daaruit een orde, hier en daar fraai en geruststellend, maar ook wreder dan de voorafgaande staat van onwetendheid. Hoe ver moet je eigenlijk teruggaan om het begin te vinden? Misschien tot die ochtend van 9 januari 1905, toen grootvader en grootmoeder in de snijdende kou in een open koets van Kloster Lechfeld naar Obermeitingen reden om te trouwen. Grootmoeder in haar tafzijden jurk met een boeket van papieren bloemen, grootvader in zijn uniform, de met messing beslagen helm op zijn hoofd. Wat hebben ze gedacht toen ze, de paardendeken over de benen, in het voertuig naast elkaar zaten en de hoefslag hoorden weerklinken in de kale allee. Wat hebben later de kinderen gedacht, van wie er één op een klassenfoto, in het oorlogsjaar 1917 in Allarzried gemaakt, angstig de wereld in staart.’ (…)

Later in Suffolk:

‘Is this the promis’d end? Oh, you are men of stones.

Wat dood is, dat

blijft dood.  Uit liefde

komt het leven. Ik weet niet
wie mij zegt wat, hoe,

waar, wanneer. Is nu

de liefde niets? alles?

water? vuur? goed?

kwaad? leven? dood?

 

© els van dinteren 300121

Delen

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

error: Inhoud is auteursrechtelijk beschermd!